Harde strijd over sanering varkenssector

De varkensstapel moet kleiner om rampen als de varkenspest in de toekomst te vermijden. Maar het hoe van die operatie zorgt voor heftige discussies en dito heen en weer gegooi met rapporten en cijfers.

DEN HAAG, 18 NOV. De varkenspest heeft de varkenshouderij wakker geschud. Niet alleen in de branche, ook in de politiek maakte het uitbreken van de pest duidelijk dat het mes gezet moest worden in de almaar groeiende varkenssector.

Maar ook los van de pest had de sector moeten saneren. Het ministerie probeert al jaren de varkensboeren duidelijk te maken dat de ongebreidelde groei de sector niet ten goede komt. De boeren hebben echter steeds geweigerd mee te werken en met de regels de hand gelicht, zo luidt de lezing van landbouwminister J. van Aartsen.

Nu de sector, dankzij de varkenspest, ook zelf inziet dat doorgaan op de huidige weg niet mogelijk is, is het grote schaakspel over het hoe van de sanering begonnen. De verschillende partijen hebben met lijvige rapporten en dito berekeningen hun laatste munitie in stelling gebracht.

In opdracht van zowel het ministerie als de sector heeft het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) een aantal scenario's doorgerekend. In het ene blijft alles bij het oude, in het andere wordt er gefaseerd ingekrompen en in het derde, dat van de minister, rigoureus. De berekeningen zijn afgezet tegen de situatie in 1995, dus vóór het uitbreken van de varkenspest in februari dit jaar.

In elk van de drie scenario's zal de sector een flinke veer moeten laten. Werkgelegenheid, aantal bedrijven, gezinsinkomen en de grootte van de varkensstapel gaan op de helling. De verschillen tussen de scenario's zitten vooral in de manier van inkrimpen, de uiteindelijke grootte van de varkensstapel en het milieubeleid. En waar het ministerie de nadruk legt op het welzijn van de dieren, lijkt dat bij het plan van de branche zelf een ondergeschoven kindje.

Van Aartsen wil meer ruimte voor vleesvarkens (minimaal 0,7 vierkante meter per varken) en groepshuisvesting voor fokzeugen. Tevens moet het vervoer van levende varkens drastisch verminderen, wat de gezondheid ten goede moet komen. Hiervoor is een ingenieus heffingensysteem bedacht, dat varkenshouders een grotere verantwoordelijkheid voor de gezondheid van hun levende have moet geven. Dit alles moet binnen drie jaar geregeld zijn, omdat het risico op rampen als de varkenspest daardoor afneemt.

De sector zegt het belang van dierenwelzijn wel te erkennen, maar trekt meer tijd uit voor de verbetering daarvan. LTO/PVE wil met een aan de investeringen gekoppelde sanering de dieren langzamerhand meer leefruimte geven. De 0,7 vierkante meter per vleesvarken moet al wel in 1999 rond zijn, maar de groepshuisvesting zal pas over elf jaar een feit zijn.

Op milieugebied zijn de uitgangspunten hetzelfde, maar ook daarbij verschilt de uitwerking. Gezamenlijk doel is het terugbrengen van het aantal kilo's fosfaat dat vrijkomt uit varkensmest. Van Aartsen redeneert als volgt: varkens produceren mest, dus minder varkens betekent minder mest en minder fosfaat. De sector heeft andere ideeën. Daar geldt het motto: varkens eten voer waarbij veel fosfaat vrijkomt, geef je ze ander voer, dan krijg je minder fosfaat en bereik je dezelfde korting op de fosfaten als het ministerie wil.

Maar het voornaamste verschil tussen de scenario's zit in de mate van inkrimping. De minister wil een krimp van een kwart in twee etappes: volgend jaar vijftien procent en nog eens tien procent in het jaar 2000. Dit kwart moet verdwijnen door de opkoop van 'varkensrechten', het recht om een bepaald aantal varkens te houden. Deze rechten worden gebaseerd op de hoeveelheid varkens die een boer één of twee jaar geleden had. Van het huidige aantal van ruim acht miljoen varkens blijven er dan zo'n zes miljoen over. Het effect op de fosfaat-uitstoot is navenant.

Daarnaast wil ook het ministerie, net als de sector, aanpassingen in de voedselketen: minder fosfaat in het voer moet een sterke reductie van het aantal kilo's fosfaat opleveren. In totaal moet van de huidige, jaarlijkse uitstoot van 66 miljoen kilo fosfaat uit varkensmest er ten minste 29 miljoen verdwijnen.

Ook de sector is voor inkrimping, maar minder rigoreus. Een algemene korting van vijf procent is als tegemoetkoming aan de ministeriële plannen in het scenario opgenomen, maar verder pleit de sector voor een 'warme' sanering, waarbij bedrijfsleven, maar vooral de overheid diep in de buidel moet tasten. De sanering volgens LTO/PVE resulteert uiteindelijk in zo'n 6,5 miljoen varkens; de fosfaat-uitstoot neemt dan met 14 miljoen kilo af.

Door deze verschillende manieren om de varkensstapel in te krimpen, zijn de bedrijfseconomische effecten van de scenario's uiteenlopend. Wordt bijvoorbeeld gekeken naar het totaal aantal bedrijven dat de sanering 'overleeft', dan blijkt dat het LTO/PVE-plan de meeste varkensbedrijven, 11.800 van het huidige totaal van 19.100, op de been houdt - een daling van 38 procent. Zo'n 47.200 arbeidsplaatsen blijven behouden. Het herstructureringsplan van Van Aartsen biedt in 2010 nog aan ongeveer 41.000 mensen werk. Nu zijn er ruim 58.000 arbeidsplaatsen in de varkenshouderij.

Ook de toekomstverwachtingen voor de overblijvende varkenshouders zijn in het scenario van de branche beter voor de varkenshouders. In 2010 heeft nog 63 procent van de bedrijven een gunstig toekomstperspectief, tegen 53 procent in het kabinetsscenario en 52 procent bij het derde scenario, het scenario zonder ingrepen.

De kans dat de voornemens van de sector worden overgenomen lijkt gering. Weliswaar toonde de minister zich enkele weken terug verheugd over het feit dat de branche überhaupt met een plan was gekomen, maar hij voegde daaraan toe weinig vertrouwen te hebben in de bereidheid van de sector die plannen daadwerkelijk uit te voeren. “De afspraken die in het verleden zijn gemaakt, zijn nooit nagekomen. Mede daarom voel ik helemaal niets voor convenant-achtige afspraken. Het kabinet gaat gewoon op de ingeslagen koers door”, aldus de minister.

Ook het bedrag dat de sector van de overheid wil om de sanering 'warm' te laten verlopen, schoot de minister in het verkeerde keelgat. “Met 660 miljoen overheidssteun is er van de pijn voor de sector weinig meer over”, zei Van Aartsen. En dan was er nog een derde reden om het plan van de branche terzijde te schuiven: harde garanties voor het terugdringen van het aantal varkens ontbreken. In het scenario van de sector komen wellicht na twee jaar weer veel boeren terug op de markt.

Donderdag praat de Tweede Kamer over de verschillende scenario's. De Wet Herstructurering Varkensstapel, grotendeels gebaseerd op de plannen van het ministerie, is gisteren naar het parlement gegaan.

Voor de sector is het duidelijk: kiest men voor het ministeriële scenario, dan is dat de nekslag voor meer dan de helft van het huidige aantal varkenshouders. Maar ook de minister is duidelijk in zijn keuze: op mijn manier, en anders niet.

    • Egbert Kalse