Geld krimpt niet

De chipknip is nog geen succes gebleken, hoor ik in een actualiteitenrubriek op de televisie. De mensen betalen blijkbaar nog altijd graag met echt geld. Zou de munt dan toch het oprukken van het plastic geld overleven? Dat zou een verrassende ontwikkeling zijn.

Ouderen onder ons zullen zich nog herinneren dat muntgeld voor de Tweede Wereldoorlog inderdaad een efficiënt betaalmiddel was. Maar dat is verleden tijd. Als er één gebied is waarop de overheid in gebreke is gebleven - niet alleen in ons land, maar ook elders - dan is het de zorg voor de munt. Zonder dat wij het hebben gemerkt is de instandhouding van het muntgeld als efficiënt betaalmiddel op ergerlijke wijze verwaarloosd.

De inflatie heeft niet alleen tot gevolg gehad dat de waarde van een geldbedrag sterk is verminderd, maar ook dat daarmee het gewicht van een bepaalde waarde aan munten gigantisch is toegenomen. Want de gulden is nog altijd weinig kleiner dan toen hij in 1816 door koning Willem I werd ingevoerd.

Het gemiddeld inkomen van degenen die genoeg verdienden om belasting te betalen lag zestig jaar geleden rond de 200 gulden in de maand. Een gulden woog in die tijd tien gram. Na de oorlog werd het gewicht iets minder, een gram of zes, en dat is zo gebleven. Een onderwijzer verdiende in 1937 per maand 300 gulden; dat is tien gulden per dag.

Maar wat kocht je in die tijd voor die tien gram muntgeld? Laten we eens meegaan met iemand die toen een dagje ging winkelen in Amsterdam. Hij steekt vijf guldens in zijn portemonnaie. Bij de kiosk koopt hij een pakje sigaretten (een kwartje) en het weekblad De Lach (tien cent). Vervolgens naar de drogist. Een doosje Purol en een tube tandpasta betalen we gepast met een gulden. Bij de winkel op de hoek kopen we een half pond koffie (Van Nelle, groenmerk) voor 37 cent en twee rollen beschuit voor samen 20 cent. Alles bij elkaar zijn we minder dan twee gulden kwijt.

Dan is het etenstijd. Er is een eenvoudig restaurant in de buurt van de Leidsestraat. Hors d'oeuvre, soep, vlees, aardappelen en groente; een puddinkje na en een glas Bordeaux bij het eten, een kleintje koffie na. Prijs ƒ 1,45. Terwijl onze proefpersoon aan tafel zit, bedenkt hij dat hij nog iets heeft vergeten. Hij moet nog een onsje baaitabak kopen voor zijn pijprokende vader. Hij betaalt met een kwartje. Al met al heeft hij nu ruim drieëneenhalve gulden uitgegeven. Jammer dat hij maar vijf guldens had meegenomen; als hij acht gulden aan kleingeld had meegenomen, had hij in Amsterdam kunnen blijven overnachten.

Wat is muntgeld toch handig! En wat zou muntgeld vandaag de dag nog handig zijn, wanneer we, toen na de Tweede Wereldoorlog de inflatie inzette, de omvang van de munten geregeld hadden aangepast aan de geldontwaarding. Het dagje Amsterdam zou nu zonder overnachting tegen de 100 gulden gekost hebben; alleen al de boodschappen bij de drogist en de kiosk kosten nu toch al gauw 25 gulden. Voor dit soort uitstapjes is muntgeld dus niet meer zo handig. Een paar losse guldens in je zak voor een middagje winkelen kan niet meer. Een paar losse dubbeltjes in de zak en je kocht voor één zo'n klein muntje De Lach. De Privé kost nu al ƒ 2,70.

Papiergeld was alleen voor iets grotere uitgaven. Ook daar had je geen grote pakken papier nodig. Als je een petroleumkacheltje ging kopen, nam je één briefje van tien mee en dan kreeg je nog wisselgeld terug.

Waarom is met het verminderen van de waarde van het geld ook niet de omvang en het gewicht van de munt teruggebracht? Het is een gemiste kans dat we bij de invoering van de Europese munt deze fout niet hebben goedgemaakt. Een euro met de omvang van een dubbeltje en een waarde van iets meer dan twee gulden. Als dat was gebeurd - wie zou er dan nog warm lopen voor de chipknip?

    • A.A. de Boer