Euro heeft mondiale gevolgen

Een beetje scholier weet wat in 1517 is gebeurd. Maar of dat straks ook voor 1999 geldt, is de vraag. Toch zal Nederland dan zijn belastingsoevereiniteit opgeven, betoogt L.G.M. Stevens.

De nationale begrotingspolitiek komt in de nabije toekomst in Europese handen

Zullen toekomstige generaties scholieren het jaar 1999 (invoering van de euro en de geboorte van de Verenigde Staten van Europa) invoegen in de reeks van memorabele jaartallen? De tijd zal het leren. Maar dat de invoering van de euro grote Europese en mondiale gevolgen zal hebben, staat nu reeds vast. De EMU-deelnemers zullen met de invoering van de euro hun nationale monetaire politiek en nationale begrotingspolitiek in Europese handen leggen.

Opmerkelijk binnen die machtsverschuiving is dat het bijbehorende proces van belastingcoördinatie stagneert. De belastingsoevereiniteit wordt krampachtig door de lidstaten in eigen hand gehouden. Nu deze alleen maar nog de fiscale regelgeving hebben als nationaal hanteerbaar instrument ter verbetering van hun concurrentiepositie, ligt een toenemende belastingconcurrentie voor de hand. Deze belastingconcurrentie zal daarom onherroepelijk hoger op de Europese agenda komen. De appreciatie van de mogelijke aanpassingsmechanismen is mede afhankelijk van het gevoel voor stijl. Wat de één belastingconcurrentie noemt, is volgens de ander beleidsconcurrentie. Belastingconcurrentie roept meestal negatieve associaties op, een verloederende race to the bottom waarin uiteindelijk alle lidstaten de tegen elkaar uitgespeelde verliezers zijn. Beleidsconcurrentie wordt daarentegen veelal positief geduid. Het wordt verbonden met transparant en creatief overheidsbeleid waarin het belastingpeil de kenbare prijs is voor het verstrekte voorzieningenniveau. Daarin is geen plaats meer voor inefficiënte bureaucratische overheden.

Net als de ruimtescheppende Europese markt en de monetaire unie, dwingt ook de nieuwe informatie- en communicatietechnologie tot een ingrijpende aanpassing. De zich in rap tempo voltrekkende digitalisering van de samenleving is een belangrijke uitdaging voor ons belastingstelsel in de 21ste eeuw. Het zal het thans nog overheersende territoirdenken van de nationale belastingwetgevers zwaar op de proef stellen. Fysieke staatsgrenzen verliezen immers hun fiscale vanzelfsprekendheid als bedrijfsactiviteiten op de website van Internet kunnen worden uitgeoefend en zodoende wereldbereik hebben. De nationale heffingsgrondslagen worden kwetsbaar als deze internetactiviteiten vanuit belastingparadijzen kunnen worden gevoed.

Evenals internetloterijen zullen internetwinkels, internetbanken en internetverzekeringsmaatschappijen ontstaan. Dit stelt bijzondere eisen aan de belastingadministraties. De fiscale controle en fraudebestrijding hebben met de introductie van de 'digifraude' een nieuwe dimensie gekregen. Intensieve uitwisseling van informatie tussen de verschillende nationale belastingautoriteiten is onontkoombaar. Op fiscaal terrein is deze uitwisselbaarheid van informatie op Europese schaal reeds geregeld, zij het dat deze uitwisseling gebrekkig blijkt te verlopen.

De open Europese markt legt ook anderszins beperkingen op aan de nationale belastingstelsels. Zo impliceert het onbelast laten van nog niet gerealiseerde inkomsten een belangrijk risico. De heffingsmogelijkheden over waardestijging van aanmerkelijkbelangaandelen of in stille reserves besloten liggende ondernemingswinsten dreigen bij emigratie of zetelverplaatsing immers definitief verloren te gaan. Dat geldt ook voor het belastingvrij opgebouwde pensioenkapitaal. Wetende dat het totaal van de verplichtingen inzake pensioenen thans circa 1.000 miljard omvat, zal duidelijk zijn welk belang in het geding is. Pensioenexporterende landen riskeren een substantieel verlies aangezien het Europese Verdrag mobiliteitsbelemmerende exitheffingen niet aanvaardt.

Ook legt de Europese eis tot gelijke fiscale behandeling van binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen in gelijke positie beperkingen op aan de vormgeving van het nationale belastingstelsel. De euro en cyberspace-ontwikkelingen in onderlinge samenhang versterken de noodzaak te komen tot harmonisatie van de fiscale behandeling van kapitaalinkomsten. Miljardenvermogens kunnen in microseconden, waar ook ter wereld, hun hoogste nettorendement opzoeken. Belastingarbitrage is erop gericht zodanige routes voor het roerend kapitaal te vinden dat per saldo zo min mogelijk belasting wordt betaald, hetzij door het opzetten van doorstroomvennootschappen, hetzij door transformatievennootschappen. Het risico van een fiscale jungle is tegelijkertijd een even grote fiscale uitdaging.

Een vennootschapsbelasting, geldend voor de gehele EU, zou de coördinatieproblemen enigszins kunnen verkleinen. Uiteraard moeten de lidstaten daarvoor wel de heffingsautonomie over de vennootschapswinsten prijsgeven. Op EU-niveau moeten dan bindende afspraken worden gemaakt over de opbrengstverdeling. De heffingsautonomie van het woonland van de aandeelhouder over de uitgekeerde dividenden kan daarbij ongemoeid blijven.

Zolang echter een Europese vennootschapsbelasting politiek nog niet haalbaar is, zullen we ons ambitieniveau moeten richten op harmonisatie van de nationale vennootschapsbelastingen. Het Nederlandse systeem kan daarbij prima als uitgangspunt dienen. Daarin worden de vennootschap en haar aandeelhouders apart belast. Ter beperking van de economische dubbele heffing op dividenden moeten beide belastingen gematigde tarieven kennen. Zodoende wordt een compromissoire verdeling van de heffingscapaciteit tussen het bronland van de vennootschap en het woonland van de aandeelhouder bereikt.

In die harmonisatiediscussie speelt ook de fiscale behandeling van de rente een belangrijke rol. De aftrekbaarheid van de rentekosten vormt in internationale verhoudingen een hinderlijke drainage van de nationale heffingsgrondslag. Zij wordt om die reden in de nationale wetgevingen aan steeds strengere en ongecoördineerde voorwaarden gebonden. Het is het overwegen waard de heffingsgrondslag van de vennootschapsbelasting te verbreden door daaraan de kapitaalbeloning aan de vreemd-vermogenverschaffers toe te voegen. Dit wordt bereikt door de rentekosten niet langer op vennootschapsniveau aftrekbaar te stellen. De vreemdvermogenverschaffer wordt dan vergelijkbaar met de aandeelhouder belast. Zodoende wordt een grotere belastingneutraliteit tussen beide financieringsstromen verkregen. Ook wordt de bestaande spanning tussen de bronstaat en bestemmingsstaat verkleind. Eveneens problematisch is het volslagen gebrek aan een geharmoniseerde behandeling van renteopbrengsten.

Nederland neemt daarin met zijn vermogensbelasting en relatief hoge tarieven een kwestbare positie in. De recente belastingvlucht naar België heeft dit pijnlijk duidelijk gemaakt. Harmonisatie en beschikbaarheid van informatie over kapitaal(inkomsten)stromen is voor een geordende belastingheffing essentieel. Een Europese kapitaalmarkt kan zich dergelijke verschillen in belastingregime niet veroorloven. Indien in de informatie-uitwisseling één schakel door een formeel of materieel bankgeheim niet operationeel is, valt het hele informatienetwerk in duigen. Daarom is moeilijk te aanvaarden dat een land dat zich zodoende als schuilplaats heeft kunnen ontwikkelen, daarvan de vruchten kan plukken. Luxemburg, dat economisch erg afhankelijk is van de financiële sector, fungeert in dit verband echter als een belangrijke stoorzender om te komen tot sanerende coördinatie.

De betekenis die de invoering van de euro in samenhang met de cyberspaceontwikkelingen heeft op het belastingstelsel van de 21ste eeuw zullen echter van verstrekkende, maar nog ongewisse, betekenis zijn.

    • L.G.M. Stevens