De onnavolgbare Abel Herzberg

Abel Herzberg wist wat hij vertellen moest, maar ook hoe hij het vertellen moest. Hij wist ook wat hij weg moest laten en werkte met een sober idioom waarin het hele scala van reacties van de gewonde mensenziel werd uitgedrukt in gestileerde smart en razernij.

Herzberg hoefde niet lang naar zijn vorm te zoeken. Op de eerste bladzijde van zijn Kroniek der Jodenvervolging getuigde hij al meteen van zijn stilistische meesterschap. In een paar dunne lijntjes tekende hij de sfeer op de avond van de vijftiende mei 1940 op een plein in Amsterdam-Zuid, waar hij wacht liep in de luchtbeschermingsdienst. “Ik drentelde wat rond met een stalen soepbord op het hoofd”, schrijft hij enigszins verontschuldigend. Het soepbord duidde erop dat hij op zijn post was en zijn rondes liep, zodat de buurt rustig kon slapen. Nederland was al vier dagen in oorlog, maar in tegenstelling tot Rotterdam had Amsterdam nog weinig van de oorlog gezien. Op zijn ronde kwam Abel Herzberg die avond geen levend wezen tegen. De straten waren leeg en hij had zelfs nog geen zwerfhond gezien. Zijn ronde eindigt met de beschrijving van de zoveelste 'dode' surveillance, die plotseling een onheilspellende wending neemt en een onvergetelijke ontknoping krijgt in een pension van joodse emigré's uit Duitsland. Herzberg doet daar de aangrijpende ontdekking dat de nieuwe tijd zijn onuitwisbare intrede heeft gedaan. De mensen in het pension hadden aan de voet van de vulkaan gewoond, maar de uitbarsting niet afgewacht en afscheid genomen van elkaar en van het leven. Herzberg illustreerde met dat voorval de “officiële gegevens betreffende de zelfmoord gedurende de oorlogsjaren te Amsterdam”, ontleend aan de publicaties van het gemeentelijke Bureau van Statistiek in de maand mei van 1940.

Een groot deel van die wanhopigen die aldus aan de greep van de nazi's ontkwamen waren nieuwe Nederlanders die hier nog nauwelijks waren ingeburgerd. Ik citeer de volzin uit de 'Kroniek' waarin Abel Herzberg zowel hun wanhoop als hun noodlot tekende: “De liefde tot dat land groeide, dat land, dat - alle maatschappelijke antisemitisme ten spijt - altijd, voor zover de herinnering terugging, politieke bescherming en rechtsgelijkheid geboden had, en deze bij monde van iedereen, die zich daartoe geroepen voelde (aanvankelijk zelfs van de NSB), ook voor de toekomst beloofde. Die liefde, spontaan in haar oorsprong, kreeg een nieuwe functie. Zij moest de deur versperren voor die knagende twijfel aan de vraag, of niet het aankruipende gevaar sterker zou zijn dan de geboden bescherming, en of de macht van het Nederlandse vaderland niet zwakker zou zijn dan zijn wil. Als dat het geval zou zijn, dan zou het leven breken. Nederland zou zijn oorlog verder voeren. Het zou de middelen daartoe vinden, en de steun ontvangen van een eindeloos machtige wereld. Maar de geschiedenis van Nederland zou niet meer de geschiedenis der Nederlandse joden zijn, zijn toekomst niet meer de hunne en in plaats van beschermde burgers zouden zij aan willekeur overgeleverde paria's worden, vogelvrijen, aan elke gril en moedwil ten prooi. En wat die grillen en moedwil beduidden wisten zij, dat wisten (en weten) de Joden gewoonlijk beter dan de anderen. Gij zult weinig Joden in de wereld vinden, die zich de ogen niet herinneren van de jager”.

Abel Herzberg was al lang en breed pensioengerechtigd toen hij nog eens aan een nieuw intellectueel avontuur in zijn leven begon. Op bijna 68-jarige leeftijd verhuurde hij zich aan de Volkskrant (overeenkomstig zijn devies: “Ik schrijf op bestelling”) om voor die krant het strafproces tegen Eichmann in Jeruzalem te verslaan. Zijn benoeming tot speciale verslaggever voor het proces was een gouden greep van hoofdredacteur J.M. Lücker, die in de jaren van zijn bewind aan de Nieuwezijds Voorburgwal ook talrijke grote niet-katholieke schrijverstalenten aan zijn katholieke krant wist te verbinden. In heel West-Europa was er geen krant die het proces-Eichmann zo uitvoerig en alomvattend versloeg als de Volkskrant. In Arie Kuipers kleurrijke biografie van Abel Herzberg wordt die journalistieke promotie levendig uit de doeken gedaan. De oude leeuw legde een demonische werklust aan de dag, en deinsde er niet voor terug dubbele werkweken te maken en 's nachts door te werken om het bijzondere strafproces aan zijn lezers uit te leggen. En bijzonder was het tot in de zoveelste macht.

Eichmann was immers niet op reguliere wijze voor de rechtbank gebracht. De organisator van de Endlösung der Judenfrage, de belangrijkste klerk achter de machinerie van de Holocaust was in zijn woonplaats Buenos Aires gekidnapt en uit zijn tweede vaderland Argentinië naar Israel gesmokkeld. In elke beschouwing die Herzberg tijdens de voorbereiding van het proces voor de Volkskrant schreef (alleen al zestig lange verhandelingen in de periode 30/6/'60-30/5/'62) deed hij zich kennen als een nauwkeurig verslaggever, die excelleerde in evenwichtige historische terzijdes en achtergronden. En hij toonde zijn bijzondere meerwaarde door zijn in de advocatuur geschoolde kennis van het strafprocesrecht.

Arie Kuiper bepaalt zich in zijn biografie tot de journalistieke werkzaamheden die Abel Herzberg tijdens het proces in Jeruzalem voor de Volkskrant verrichtte. Kuiper heeft daarmee een belangrijke bijdrage aan de persgeschiedenis geleverd, zonder het boek waarin Abel Herzberg later zijn herinneringen aan het proces opschreef diepgaand in zijn beschouwingen te betrekken. Dat is jammer, want Eichmann in Jeruzalem (1962) is na de Kroniek van de Jodenvervolging misschien wel het beste dat Abel Herzberg heeft geschreven. Het is een boek uit één stuk, waarin Herzberg zich in al zijn historische belezenheid, maar ook in zijn juridische specialiteit doet gelden. “Geen roman is ooit zo boeiend als een proces-verbaal in een strafzaak”, schreef hij in zijn inleiding van Eichmann in Jeruzalem, dat een doorlopend bewijs van die stelling is. Herzberg ontleedde het requisitoir van de Israelische openbare aanklager Gideon Hausner met dezelfde scherpzinnigheid als de tegenargumenten van Eichmanns verdediger Robert Servatius. Hij legde de procesregels uit, beoordeelde de kwaliteit van de Israelische rechtsbedeling en beantwoordde voor zijn lezers de rechtsvragen die het proces in zijn vreemde omgeving menigmaal opriep. Soms trad hij zelfs op als advocatus diaboli, want hij wilde niet alleen recht doen aan de vermoorden maar ook aan hun moordenaars. Herzberg was het eens met de doodstraf die over Eichmann werd uitgesproken, maar hij was er niet gelukkig mee. Hoewel hij Adolf Eichmann in hoge mate verantwoordelijk achtte voor de moord op zes miljoen joden (zonder hem van feitelijke vernietiging van zijn slachtoffers te beschuldigen, - “want dat paste niet bij zijn karakter. Hij organiseerde”), had hij volgens Arie Kuiper liever gezien, dat Israel hem bij wijze van superieure wraak aan Duitsland had teruggegeven. “Om hem in een parachute boven Beieren uit een vliegtuig te zetten en dan tegen de Duitsers te zeggen: jullie mogen hem hebben”.

Eichmann in Jeruzalem vormt de sleutel tot Abel Herzbergs juridische denktrant. Misschien ligt daarin wel de verklaring voor het feit, dat dit sterke boek een commerciële flop werd, in één druk bleef steken en het onbekendste werk uit zijn oeuvre zou blijven. Het boek dat Harry Mulisch onder de titel De Zaak 40/61 over het proces-Eichmann schreef, beleefde daarentegen meer dan tien drukken. Het publiek toonde daarmee een verklaarbare voorliefde voor een literair boven een journalistiek-juridisch werk. Maar het versmaadde een briljant boek, dat tot in lengte van jaren verdient te worden herdrukt. Evenals de 'Kroniek', die behoort te worden heruitgegeven tot in het zevende geslacht en moet om de vijf jaar op 4 mei op alle scholen worden uitgedeeld.

    • Harry van Wijnen