Campagnebudget stijgt door televisiereclames; Financiering partijen vraagt om corruptie

De discussie over de financiering van politieke partijen is danig opgelaaid na de gulle gift van Formule 1-magnaat Ecclestone aan de Britse Labour Party. In Nederland loopt het voorlopig zo'n vaart nog niet, denkt men, maar volgens Michiel van Hulten is het vijf voor twaalf.

Heel Groot-Brittannië is in rep en roer nu blijkt dat de Britse Labour Party een donatie van een miljoen pond heeft ontvangen van de Britse Formule 1-magnaat Bernie Ecclestone. Het bericht kwam naar buiten in de week dat minister van Volksgezondheid Jowell aankondigde dat - in tegenstelling tot de verkiezingsbelofte - Formule 1 races wat de Britse regering betreft niet getroffen zouden worden door een verbod op reclame voor tabaksproducten waaraan in Europees verband wordt gewerkt.

Inmiddels heeft premier Blair in een uitgebreid televisie-interview zijn excuses aangeboden aan het Britse volk en heeft Labour toegezegd het miljoen van Ecclestone te zullen terugstorten. Bovendien komt er een onderzoek naar de financiering van politieke partijen.

Dat doet weinig af aan de verontwaardiging van de oppositie, de media en het Britse publiek. Was Labour niet de partij die voor de verkiezingen beloofde een einde te zullen maken aan de corruptie en schandalen die de laatste jaren van het Conservatieve bewind kenmerkten?

In de Verenigde Staten is het kopen van politieke invloed door bedrijven en belangengroeperingen heel normaal. Leden van de Senaat besteden gemiddeld 2 miljoen dollar aan hun campagne. Wie niet van huis uit rijk is, moet op zoek naar een of meer suikeromen, die in ruil voor een bijdrage aan de campagne politieke gunsten kunnen eisen - en krijgen. Amerika is in een Catch-22 situatie geraakt: alleen de politieke elite kan het systeem veranderen, maar die politieke elite dankt zijn positie juist aan datzelfde systeem. Een poging van president Clinton om nieuwe regels in te voeren strandde onlangs op een veto van de Senaat.

Loopt Nederland het risico in een soortgelijke situatie te belanden? Op het eerste gezicht is dat onwaarschijnlijk. Nederlandse politieke partijen werken met veel kleinere budgetten voor verkiezingscampagnes en dankzij het coalitie-systeem staan bij verkiezingen minder grote belangen op het spel dan in het Verenigd Koninkrijk en de VS. Toch is het voorbarig om te stellen dat het in Nederland nooit zo ver zal komen. De eerste tekenen dienen zich aan.

In de eerst plaats neemt het gewicht van de lobby toe. Belangengroeperingen en bedrijven proberen op allerlei manieren invloed uit te oefenen op de Haagse besluitvorming. Dat is niet per definitie een slechte zaak. Veel Kamerleden maken dankbaar gebruik van de nuttige informatie die zij van lobbyisten ontvangen, en belangengroeperingen als de milieubeweging en de Consumentenbond vestigen terecht de aandacht op zaken die politici over het hoofd dreigen te zien.

Risico ontstaat er pas wanneer eigenbelang een rol speelt bij de relatie tussen een Kamerlid (of een lid van het kabinet) en een lobbyist. Het bekendste en meest schrijnende voorbeeld is het 'Beste Els'-briefje dat VVD-leider Bolkestein in zijn hoedanigheid van bezoldigd commissaris van het farmaceutische concern MSD stuurde aan D66-minister Borst. Ook zorgde Bolkestein er voor dat MSD in 1995 50.000 gulden overmaakte aan de Liberale Internationale, de internationale federatie van liberale partijen waarvan de VVD-leider sinds vorig jaar voorzitter is.

Daar komt bij dat politieke partijen steeds duurdere verkiezingscampagnes voeren. Dat heeft veel te maken met de ontwikkeling van nieuwe campagne-technieken, zoals tv- en radiospotjes en het gebruik van billboards en opiniepeilingen.

De Nederlandse politieke partijen kunnen uit twee belangrijke financiële bronnen putten: de bijdrage van de overheid en de contributie (en donaties) van leden. De grote partijen zijn daarbij tot nog toe niet overstag gegaan voor het grote geld van rijke individuen en het bedrijfsleven. Maar dat kan veranderen nu de commerciële tv-zenders hebben laten weten dat zij in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van volgend jaar in principe spotjes van politieke partijen zullen aanvaarden - dit in tegenstelling tot vier jaar geleden.

Op zichzelf is het prima dat politieke partijen ook de kijkers van RTL4 en 5, Veronica en SBS6 kunnen bereiken, maar deze ontwikkeling zal zonder twijfel leiden tot een toename van de campagnebudgetten. Partijen zullen, of zij het nu leuk vinden of niet, daardoor op zoek moeten naar nieuwe geldschieters.

Wat moet er gebeuren om deze ontwikkeling te keren? Ten eerste moet de politiek zich losmaken van te nauwe banden met georganiseerde belangengroepen en het bedrijfsleven. In het Kamerdebat over de MSD-affaire sprak een meerderheid zich uit tegen een gedragscode voor Kamerleden. Dat besluit moet worden teruggedraaid. Er moet zo snel mogelijk na de verkiezingen een gedragscode worden opgesteld die voorziet in een openbaar register van nevenactiviteiten van Kamerleden en bewindslieden, duidelijke regels met betrekking tot de omgang tussen politici en lobbyisten, en een verbod op activiteiten zoals het geld ontvangen voor het stellen van Kamervragen.

Ten tweede moet er een nieuwe wet op de campagnefinanciering komen. Daarin wordt bepaald hoeveel geld een politieke partij of individuele kandidaat mag uitgeven aan een campagne en welke geldbronnen aanvaardbaar zijn. Bedrijven en commerciële belangengroepen zijn dat in ieder geval niet. Men zou er voor kunnen kiezen alleen bijdragen van individuen aan partijkassen toe te staan, tot een bepaald maximum per persoon. Alle donaties aan politieke partijen moeten bovendien openbaar zijn.

De zendtijd voor politieke partijen die nu al bestaat op de publieke zenders zou moeten worden uitgebreid naar de commerciële zenders, zodat partijen ook daar (al dan niet tegen een vast te stellen vergoeding) hun boodschap kwijt kunnen. Politieke spotjes buiten die zendtijd zouden dan moeten worden verboden.

Tenslotte zijn er goede argumenten voor een fors hogere overheidsbijdrage aan de kas van politieke partijen. In een tijd waarin de band tussen burger en politieke partij losser wordt, is dat geen voor de hand liggende oplossing. Maar politieke partijen vervullen een centrale en onvervangbare rol in ons democratisch bestel en als een hogere overheidsbijdrage partijen minder afhankelijk maakt van georganiseerde belangen is een dergelijke oplossing de minste van twee kwaden. De bescheiden verhoging die minister Dijkstal onlangs aankondigde is een stap in de goede richting, maar is niet voldoende om aan de problemen het hoofd te bieden.

'It's the economy, stupid!', stond in 1992 op een bord aan de muur van de 'war room' van de Clinton-campagne. De boodschap was bedoeld om de campagnestaf te herinneren aan het centrale thema in de ogen van de kiezer: de kwakkelende economie die een nieuwe impuls behoefde. Nu is niet de economie het centrale thema meer (daar gaat het immers goed mee), maar de vraag of politici het vertrouwen van de burger kunnen herwinnen: 'It's trust, stupid!'. Daar zal het volgend jaar om gaan.

    • Michiel van Hulten
    • Lid van de Pvda