Banken zien niets in waarborgfonds zorg

Bij de behandeling van de begroting voor Volksgezondheid beslist de Tweede Kamer deze week ook over een waarborgfonds voor de zorg. Dit fonds kan de sector honderden miljoenen guldens aan rente gaan besparen. De banken moeten er niets van hebben.

DEN HAAG, 18 NOV. Jaarlijks kan in de gezondheidszorg op den duur zeker zo'n 225 miljoen gulden op rente worden bespaard, zo rekende de Marktgroep Gezondheidszorg van de ING Bank de Tweede Kamer eind oktober in een notitie voor. Noodzakelijk daarvoor is een waarborgfonds dat de rente en aflossing van de leningen garandeert die ziekenhuizen, verpleeghuizen en instellingen voor gehandicapten en geestelijke gezondheidszorg moeten afsluiten voor hun investeringen in bouw en apparatuur. Toch moet de Kamer die weg niet op, zo waarschuwt de bank. Want zo'n fonds is omslachtig en leidt alleen maar tot veel bureaucratie. Bovendien zien, aldus de ING Bank, maar weinig ziekenhuizen er iets in.

“Stemmingmakerij”, brieste secretaris H.J. Bellers van de commissie die voor de Nederlandse Zorgfederatie het waarborgfonds voorbereidt, toen hij met de kwalificaties in de notitie werd geconfronteerd. De woede van zijn werkgever en de daarbij aangesloten verenigingen was groot. ING doorkruiste immers met haar actie de eigen lobby bij de Kamer, en die verliep al moeizaam genoeg doordat begin oktober VVD en PvdA vraagtekens bij de plannen voor een waarborgfonds zetten. “We begrijpen wel waarom ING en de andere banken bezwaar maken tegen ons voorstel voor het waarborgfonds”, aldus Bellers. “Ze verliezen immers niet alleen het rentevoordeel, maar ze zien ook de institutionele beleggers als concurrent in de zorgsector terugkeren.”

De behoefte aan een waarborgfonds ontstond nadat in 1988 de staatsgarantie voor leningen in de gezondheidszorg was afgeschaft in de euforie van de toen net geïntroduceerde marktwerking in de sector. Die garantie maakte het de instellingen mogelijk geld te lenen tegen de laagst mogelijke rente: de financier loopt immers geen risico.

Tot 1988 haalden de instellingen hun geld voor investeringen grotendeels bij institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen. Na het wegvallen van de staatsgarantie keerden die beleggers zich van de zorgsector af. Uitlenen levert dan risico's op met bovendien de verplichting de gang van zaken bij je debiteuren behoorlijk in de gaten te houden. Pensioenfondsen zijn daar niet op ingesteld. Banken wel, maar dat heeft zijn prijs: een hogere rente.

Sinds 1988 zorgt een beperkt aantal banken (ING, ABN Amro en Rabo) voor het geld dat de instellingen nodig hebben voor hun investeringen. Van de ruim 27 miljard gulden die de leden van de Zorgfederatie op dit moment hebben geleend, komt al ruim elf miljard gulden van de banken (en 8,5 miljard gulden aan oude leningen van institutionele beleggers).

De banken, die naar eigen zeggen in de zorgsector geen erg grote risico's lopen, rekenen bij de huidige lage rentestand een opslag van zo'n 0,6 procent op het bedrag dat ze zelf voor het geld moeten betalen. “Maar op andere momenten, zoals bijvoorbeeld in 1994, is een opslag van 1 tot 1,5 procent gebruikelijk. En wie zegt dat dit straks ook weer niet het geval zal zijn. De financiële markt is onvoorspelbaar”, aldus Bellers.

Jaarlijks leent de zorgsector zo'n 1,5 tot 2 miljard gulden. Bij een opslag van 0,6 procent wordt er voor die nieuwe leningen 10 tot 15 miljoen gulden méér aan rente betaald dan het geval zou zijn als de instellingen bij institutionele beleggers zouden kunnen aankloppen. Die extra kosten stapelen zich jaar na jaar op. Met een waarborgfonds dat alle risico's voor de geldgever uitsluit, komen die beleggers terug, zo verwacht de Zorgfederatie.

Het Waarborgfonds Zorg krijgt van de overheid 120 miljoen gulden als startkapitaal mee. Zorgfederatie noch overheid krijgen invloed op bestuur en beleid. Deelname aan het fonds is vrijwillig. Wel moeten ze voldoen aan financiële eisen, zoals voldoende eigen vermogen en een sluitende begroting. De zorginstelling betaalt voor elke lening die zij bij het Waarborgfonds wil laten borgen eenmalig 0,75 procent van dat bedrag als 'disagio' aan het fonds. Het fonds, dat de status van een stichting krijgt, garandeert de aflossing van de leningen. Beschikt het fonds over onvoldoende kapitaal om in te springen als dat nodig is, dan dienen alle deelnemende instellingen bij te passen. Levert ook dat niet voldoende op, dan komt de overheid het Waarborgfonds te hulp met een renteloze lening.

Daarmee is de vroegere staatsgarantie, zij het indirect, weer terug. Volgens Bellers heeft die omweg voordelen. “Het is de sector zelf die orde op zaken stelt en houdt, iets wat een groter draagvlak oplevert dan wanneer dit aan de overheid wordt overgelaten. Het Waarborgfonds houdt permanent toezicht op het financieel management van de deelnemende instellingen”, aldus Bellers.

Op 12 september schreef minister Borst (Volksgezondheid) het parlement dat zij binnen dertig dagen een Waarborgfonds Zorg wilde instellen. Tot dan leek geen vuiltje aan de lucht. In de jaren daarvoor was er in de Kamer af en toe wel over gediscussieerd, maar omstreden was de oplossing niet. De gezamenlijke banken konden zich uiteindelijk wel in de plannen vinden, zo leek het.

Dat bleek een misrekening: uiteindelijk wilden ze hun marktaandeel toch niet kwijt. En sommige fracties wensten greep te houden op de besteding van de 120 miljoen gulden. Vlak voor het verstrijken van de termijn maakte een deel van de Tweede Kamer dan ook bezwaar tegen het plan van Borst: de VVD omdat zij vindt dat zo'n fonds en het toezicht erop in een wet geregeld moeten worden, de PvdA onder meer omdat zij de startsubsidie te hoog vindt.

De instellingen in het Waarborgfonds mogen van de 'winst', die ze boeken doordat ze zelf een lagere rente moeten betalen, een vast bestanddeel behouden. Volgens Borst is het “bijna vanzelfsprekend”, zo reageerde ze gisteren op vragen uit de Kamer, dat de instellingen dit geld besteden aan patiëntenzorg. “Het is een prikkel die de instellingen zeker zal helpen de drempel over te stappen, want ze maken kosten en halen ook toezicht in huis”, meent Bellers.

Borst heeft toegezegd dat die 'winst' bij de instellingen blijft. Maar juridisch biedt dit geen garantie, aldus Bellers. “Het is natuurlijk niet uit te sluiten dat in de toekomst een andere minister dit voordeel via bezuinigingen probeert weg te halen. Maar ja, dan zitten ze nog altijd ruimer in hun jas dan de andere en houden ze er indirect toch voordeel bij.”

    • Quirien van Koolwijk