Val Hokkaidobank stelt Japans beleid op proef

AMSTERDAM, 17 NOV. “Doodeng”, zei een Nederlandse vermogensbeheerder toen hij afgelopen week zag dat de aandelenkoersen op de Japanse effectenbeurs alsmaar lager en lager gingen. De spectaculaire koersval op de effectenbeurs van Hongkong beheerste de afgelopen weken tv-journaals en de krantenkoppen, maar de voortwoekerende crisis in Japan baart internationale beleggers en bankiers pas echt zorgen.

Zeven jaar na het doorprikken van de met speculatie (golfbanen, grond, vastgoed, aandelen, schilderijen) opgeblazen financiële economie, vallen de slachtoffers in het financiële hart van de Japanse economie. Wapenfeiten die wantrouwen voeden. Voor het eerst sinds de oorlog ging een verzekeraar failliet. Twee weken geleden moest een middelgrote effectenhandelaar de deuren sluiten. Het grotere effectenhuis Yamaichi moest vrijdag de ongebruikelijke stap nemen om formeel te ontkennen dat het faillissement voor de deur stond.

Vanochtend volgde een nieuwe schok: een van tien grootste banken, Hokkaido Takushoku Bank, gaat voor de bijl. De bank is bezweken onder haar eigen last van oninbare leningen. De meeste kantoren van de bank zullen worden verkocht aan een concurrent en de bank zal een beroep doen op het garantiefonds voor spaargeld om de spaarders hun geld uit te keren.

De ondergang lijkt versneld door de steeds verder dalende koersen op de Japanse effectenbeurs. Japanse banken werken van oudsher met relatief kleine financiële buffers, die in moeilijke tijden gebruikt moeten worden om verliezen op te vangen. Toen tien jaar geleden internationaal afspraken werden gemaakt over de minimumomvang van deze buffers, werden de Japanse banken, die zich ontpopten als de nieuwe financiële grootmachten, coulant behandeld. Japanse banken bezitten grote aandelenpakketten van bedrijven, die tegen de (heel lage) aanschafprijs in hun boeken staan. Door de beurshausse in Japan was de waarde op de beurs een veelvoud van de aanschafprijs.

De oplossing: banken mochten 45 procent van deze extra waarde bij hun financiële buffers tellen, zodat ook de Japanse banken comfortabel konden voldoen aan de nieuwe internationale eisen. Door de koersdalingen is het voordeeltje van toen, nu een zwaard van Damocles. Elke nieuwe koersdaling snijdt een plakje van de financiële buffers af.

Bij een stand van de Nikkei beursgraadmeter van 15.000 zou het merendeel van de twintig grootste banken geen overwaarde in zijn aandelenbezittingen meer hebben. Vorige week kwam de 15.000-grens heel dichtbij, maar vanochtend zorgde de opluchting over de ogenschijnlijk soepele sluiting van Hokkaido bank voor een stijging van de beursindex met bijna acht procent naar 16.283 punten.

Voor de buitenlandse financiers is het bankroet de eerste test voor het beleid van het Japanse ministerie van financiën en de Japanse centrale bank dat de twintig grootste banken niet failliet mogen gaan. Op vragen van (stilletjes nerveus geworden) westerse bankiers die Tokio aandoen, verzekeren de financiële beleidsmakers dat zij zich geen zorgen hoeven te maken.

De nervositeit van de bankiers raakt de kern van het financiële bestel, dat steeds minder nationale grenzen kent. De paar honderd grootste banken ter wereld zijn nauw met elkaar verweven door financiële banden: zij lenen elkaar dagelijks voor vele miljarden guldens en handelen intensief met elkaar op de financiële markten, in valuta's en effecten.

Als een partij daarbij niet aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen, dreigt een domino-effect van steeds meer financiële stenen die omvallen. Het klassieke drama van een failliete bank, waar de deuren gesloten zijn en lange rijen spaarders tevergeefs wachten, ontvouwt zich tegenwoordig eerst in de achterkamertjes van de financiële instellingen. Door de vrijwel directe communicatie waarover banken en effectenhuizen beschikken, kunnen professionele partijen vrijwel direct hun geld terugtrekken bij een bank waarvan zij de financiële soliditeit niet langer vertrouwen.

In 1984 dwong zo'n electronische run van de financiers op één van de grootste Amerikaanse banken (Continental Illinois, nummer acht op de ranglijst) de Amerikaanse overheid tot een feitelijke nationalisatie van de bank.

Vergelijkbare problemen als nu in Japan plaagden toen de Amerikaanse bankensector. Het kostte de Amerikaanse belanstingbetaler zo'n 500 miljard dollar om deze problemen, en die van de spaarbanken, het hoofd te bieden en de financiële sector te saneren.