Spaarfonds AOW spaart niet voor de oude dag

Binnen veertig jaar telt Nederland vier miljoen 65-plussers. De politiek wil hun oudedagsvoorziening in stand houden met behulp van het Spaarfonds AOW. Het is echter twijfelachtig of er echt wordt gespaard voor de oude dag.

DEN HAAG, 17 NOV. De oudere kiezers zijn afgaande op de verkiezingsprogramma's inmiddels meer gelijk dan de jongere. Ze zitten ruimer in het geld, gaan in groteren getale naar de stembus en zijn met steeds meer. In de Nederlandse politiek heeft niet de jeugd maar de ouderdom de toekomst.

Het Spaarfonds AOW is een bekroning van deze kiezersmacht. De geestelijke vader ervan moet worden gezocht bij D66, maar het Kamerlid Van Zijl (PvdA) heeft er zich politiek over ontfermd. Het kabinet heeft onlangs een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd over de toekomstige financiering van de oudedagsvoorziening. Inclusief een spaarfonds dus, om de financiële gevolgen van de steeds ouder wordende bevolking op te vangen. Hoewel, spaarfonds? Is het wel een 'fonds'? En is er wel sprake van 'sparen'?

Nee, zegt het Actuarieel Genootschap (AG), de organisatie van experts die voor pensioenfondsen en verzekeraars berekent of de premies en de spaarpotten voldoende zijn voor de toekomstige financiële verplichtingen. “De suggestie van de overheid dat er gespaard wordt voor 'zwaardere' tijden is onjuist.” Prof. dr. A.H.J. Kolnaar, prominent lid van het CDA en de Sociaal-Economische Raad (SER), is nog scherper over de geldpot: “Dit AOW-fonds stelt helemaal niks voor.”

De Algemene Ouderdoms Wet (AOW) garandeert iedere Nederlandse burger een uitkering vanaf het moment dat de leeftijd van 65 jaar is bereikt. De uitkeringen worden gefinancierd volgens het omslagstelsel: wie nu werkt, betaalt voor wie nu rust. De AOW geldt in de politieke en maatschappelijke psychologie als een pilaar van de naoorlogse verzorgingsstaat.

De vergrijzing leidt er echter toe, dat de werkenden de premies moeten opbrengen voor steeds meer ouderen, die vooral vanaf 2010 snel in aantal zullen toenemen. De geboortegolf van na de oorlog wordt begin volgende eeuw, als de baby boomers ophouden met werken, een ware pensioengolf. De komende veertig jaar verdubbelt het aantal AOW'ers tot vier miljoen.

Om de extra AOW-uitgaven volgende eeuw te financieren heeft het kabinet zijn hoop voor een deel gevestigd op een daling van de rentelasten. Door de in de politiek nu alom gesteunde verkleining van de staatschuld komt geld vrij, dat na 2010 aan de AOW besteed moet worden. Omdat deze rentevrijval alleen onvoldoende is, moet het spaarfonds vanaf 2020 voor het ontbrekende geld zorgen (zie grafiek).

De overheid stort volgend jaar 1,5 miljard gulden in het fonds en voert dat jaarlijks met 250 miljoen gulden op tot een maximale storting van 4,5 miljard. Dit jaar is 750 miljoen gulden in de pot gegaan en een deel van de vorige week bekend geworden belastingmeevaller van 3 miljard komt daar mogelijk nog bij.

Het fonds 'belegt' in schuldpapier van de overheid en het bedrag mag om die reden op de staatsschuld in mindering worden gebracht. De jaarlijkse stortingen kunnen ook worden afgetrokken van het tekort op basis waarvan mede wordt beoordeeld of Nederland kan toetreden tot de Economische en Monetaire Unie (EMU). Zo brengt de 1 miljard gulden die het kabinet in 2002 extra wil storten het EMU-tekort terug tot 1,55 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP) (Dit tekort beloopt volgend jaar 1,7 procent van het BBP).

Tot zover gesneden koek, maar draagt het fonds ook werkelijk bij aan de financiering van de AOW in de toekomst?

Het kabinet mag de stortingen boven de 1,5 miljard gulden dan hebben voorgenomen, het geld daarvoor moet nog wel gevonden worden. Als de Kamer straks instemt met het wetsvoorstel slokt het fonds in 2002 een miljard van de 5,75 miljard gulden op die het Centraal Plan Bureau (CPB) heeft berekend als begrotingsruimte voor de volgende kabinetsperiode. Valt dat bedrag nog mee, dat geldt niet voor de 3 miljard extra in 2010 en in de jaren erna.

Als straks voor de AOW-betalingen uit het fonds wordt geput, moet de overheid haar leningen aan het fonds aflossen en elders geld lenen, bij institutionele beleggers zoals pensioenfondsen. Op zichzelf maakt het niet uit of de staat rente betaalt aan het AOW-fonds of aan het pensioenfonds ABP. Maar het betekent wel, dat de staatsschuld en het EMU-tekort dan weer oplopen en dat er dus voldoende bezuinigd moet zijn, of alsnog moet worden, om binnen de EMU-normen te blijven.

“In feite is het AOW Spaarfonds niets anders dan het zodanig verkleinen van de schuld, dat er straks ruimte is om opnieuw leningen te kunnen opnemen”, concludeert actuaris J. Kars, voorzitter van de werkgroep sociale verzekering en financiering van het Actuarieel Genootschap. Kolnaar deelt die mening: “Het is geen fonds of potje, het is tijdelijke tekortreductie om straks het tekort te kunnen laten oplopen.”

Kamerlid Van Zijl spreekt dit niet tegen, maar beklemtoont dat de bestémming van het geld nu tenminste vastligt. “Ik vergelijk het met een gezin met drie kinderen, dat een huis heeft met een zware hypotheek. Om de studies van het drietal later te kunnen bekostigen, wordt de hypotheeklening verlaagd. Het vrijkomende geld kan worden besteed aan meer consumptie, maar het kan ook op een rekening worden gezet voor later. Zo kunnen we de opbrengst van de schuldreductie in de huursubsidie stoppen of in lastenverlichting, maar we hebben gekozen voor de AOW.”

De benaming 'fonds' is dus enigszins misleidend. In de pensioenwereld werd er vorige week voor gepleit de AOW-gelden niet alleen te 'beleggen' in de staatsobligaties, maar ook in meer renderende aandelen en vastgoed - als een pensioenfonds dus. Het Actuarieel Genootschap gaat een stap verder en wil dat de AOW-pot wordt gebruikt om economische groei te stimuleren door onder meer geld te stoppen in spoorlijnen en wegen - een investeringsfonds dus. Van Zijl ziet daar wel wat in, maar dan voor in de toekomst: “Op termijn kan het geld inderdaad worden belegd in aandelen en infrastructurele projecten. Dan kan het AOW-fonds een echt fonds worden”.

    • Karel Berkhout