Lion King als gedurfde, wervelende musical

De nieuwe musical 'The Lion King' biedt een onweerstaanbaar en avontuurlijk schouwspel. Zelfs de kritische New York Times speekt van 'een belangrijk werk'.

The Lion King, New Amsterdam Theatre, New York, tel. 00-1-212-307.4100.

NEW YORK, 17 NOV. Goed nieuws van Broadway: de musical The Lion King, die hier vorige week in première ging, is een adembenemende voorstelling. De firma Disney bewijst ermee dat ze in haar zucht naar wereldwijde commerciële expansie het belang van artistieke vernieuwing niet uit het oog heeft verloren.

The Lion King is geen brave bewerking van de succesvolle tekenfilm waarop het stuk is gebaseerd, maar oorspronkelijk en inventief muziektheater. Het is geen jungle-variant van Cats, maar een uitbundige, multiculturele wervelwind, die het verdient om zèlf school te maken. Het is een avontuurlijke voorstelling, niet alleen door de belevenissen van leeuwenkoning Simba, maar vooral ook door de gedurfde aanpak van regisseur, decor- en kostuumontwerper Julie Taymor. Het is een musical die op zijn beste momenten lijkt voort te komen uit een gedroomde samenwerking tussen Ariane Mnouchkine, Miriam Makeba en Karel Appel.

In werkelijkheid was het Disney's onverwachte keuze voor Julie Taymor, een eigenzinnige theatermaker met een niet-commerciële achtergrond, die tot deze verrassende voorstelling heeft geleid. Taymor heeft een zekere naam gemaakt met folkloristisch geïnspireerd theater waarin behalve acteurs, ook poppen, maskers en schaduwen een grote rol spelen. Velen hebben zich erover verbaasd dat de amusementsfabriek Disney juist haar vroeg om van The Lion King een musical te maken, een productie die volgens de Amerikaanse pers 15 miljoen dollar heeft gekost (een record voor Broadway), en de komende jaren in binnen- en buitenland een veelvoud van dat bedrag moet opbrengen.

Taymor is erin geslaagd om een spektakelstuk te maken dat een groot publiek kan aanspreken, terwijl ze toch haar artistieke ziel niet heeft verkocht. Ze volgt getrouw het verhaal en de karakters uit de tekenfilm: het leeuwenjong Simba, zoon van koning Mufasa, slaat op de vlucht als zijn kwade oom Scar hem heeft wijsgemaakt dat hij de dood van zijn vader op zijn geweten heeft; na een louterende ballingschap keert de inmiddels volwassen Simba terug, om Scar uit te dagen en de troon op te eisen. Taymor neemt ook de tekst, de toon en de flitsende grappen van de film over.

Maar bij het ontwerpen van de decors, de belichting, en het uiterlijk van de personages is ze vrijwel volledig haar eigen gang gegaan. En dat betekende een radicale breuk met het poprealisme van de gladde Disney-figuurtjes uit de tekenfilm, die vooral ontworpen lijken voor de promotiecampagnes van McDonald's; alleen het komische duo Timon en Pumbaa, de bijdehante meerkat en het koddige everzwijn, verschijnen ook op Broadway in hun wereldberoemde stripgedaante om hun aanstekelijke hitje Hakuna Matata (Our problem-free philosophy) te zingen.

Maar de leeuwen bijvoorbeeld zijn geen acteurs met pluche leeuwenpakjes aan. Ze verschijnen majesteitelijk als mensen met een leeuwenhoofd, een masker, dat de acteurs niet voor hun gezicht dragen, maar op hun hoofd, als een tweede hoofd, als een kroon. Nu eens kijk je naar het mensengezicht, dan weer naar de leeuwenkop erboven, die niet alleen wonderlijk expressief is, maar ook kan bewegen, dreigend naar voren buigen of verontwaardigd terugdeinzen.

De wijze baviaan Rafiki is in de musical een verrukkelijke Afrikaanse tovenares geworden, met hele lange nagels en rammelende flesjes om haar middel, die spreekt en zingt in een taal vol kliks. De drie valse hyena's die de kleine Simba de stuipen op het lijf jagen zijn gebochelde wezens met loshangende koppen. Zwermen kleurige vogels van papier vliegen aan hengels door de lucht. Met een soort wajangpoppen wordt een schaduwspel opgevoerd. Dansers met grote tooien van gras zijn de Afrikaanse savannen. Mechanisch bewegende skeletten van antilopen, bevestigd op een voertuig van draaiende fietswielen, verbeelden de droogte. Acteurs op stelten, onder hun voeten èn hun handen, zijn overtuigend als statige giraffen. Huilende leeuwinnen trekken lange witte linten uit hun ogen. En dan is er nog een eindeloos aanstormende horde gnoes, een apebroodboom met takken vol onbegrijpelijke krabbeltjes en symbolen, en een kudde springende antilopen van hout, die even gracieus zijn als de vederlichte dansers die hen door de lucht meevoeren.

Aan dit intense visuele plezier doet de muzikale onevenwichtigheid van de voorstelling helaas wel enigszins afbreuk. Taymor heeft aan de muziek van de film (van Elton John, met teksten van Tim Rice) een aantal nieuwe liedjes toegevoegd. Vooral de warmbloedige, ritmische muziek van de Zuidafrikaan Lebo M en de gezangen met traditioneel Afrikaans vraag-en-antwoord-patroon zijn sterk en spannend, duidelijk meer dan een obligate poging om een instant safari-gevoel op te roepen. Maar onvermijdelijk steken af en toe ook de zoetige Disney-klanken de kop op, alsof Belle van het Beest opeens in het oerwoud opduikt, of Alladin met zijn verliefde prinses.

Maar het schouwspel van deze musical is zo onweerstaanbaar, de acteurs spelen zo subtiel met hun maskers en de poppen, en de choreografie is zo speels en verrassend, dat zelfs de kritische New York Times ernstig spreekt van “een belangrijk werk”. The Wall Street Journal noemt Julie Taymor “de nieuwe Max Reinhardt” en de voorstelling “de anti-Cats”.

The Lion King, waarmee Disney zijn eigen theater aan het opgeknapte Times Square inwijdt, is met al zijn kwaliteiten natuurlijk wel een door-en-door commerciële voorstelling. En Disney windt daar ook geen doekjes om. Als het doek is gevallen wordt het publiek naar buiten geleid via een belendend pand, waarin zich een grote Disney-winkel bevindt vol stevig geprijsde Disney-prullaria. Maar dat kan het feest niet meer bederven.

    • Juurd Eijsvoogel