Kenniseconomie

MINISTER RITZEN VAN ONDERWIJS heeft weer ambities. Nederland moet een 'kenniseconomie' worden, omdat de 21ste eeuw nu eenmaal geen tijdvak zal worden waarin het maaiveld van de polder de maat der dingen zal zijn. Nu exporteert Nederland nog meer varkens dan kennis, zoals hij het formuleerde in een toelichting op zijn begroting voor 1998. In de volgende eeuw moet dat omgekeerd zijn.

Deze kentering moet in de volgende kabinetsperiode haar beslag krijgen. Vandaar dat alle grote partijen in de Tweede Kamer vorige week bij de behandeling van de begroting van Ritzen de suggestie wekten dat ze in 1998 graag de nieuwe minister van Onderwijs willen leveren. Vanaf volgend jaar kan de minister immers weer wat geld uitgeven.

Dat lijkt op het eerste gezicht onrechtvaardig jegens de zittende minister, die nu al acht jaar in Zoetermeer de scepter zwaait. Hij had de opdracht om te snijden in het budget. En dat heeft hij effectief gedaan. De uitgaven voor het onderwijs hebben een reële daling ondergaan: van 5,8 procent van het bruto binnenlands product naar 5,3 procent. De gevolgen van deze sanering zijn ten dele afgewenteld op ouders, leerlingen en leerkrachten. Vergeleken met andere industriële landen zijn de klassen hier groot, de lesgelden hoog en de salarissen laag. Alleen de prestaties van studenten en docenten steken niet bleek af bij omringende landen. Ook als het om onderwijs gaat, is de Nederlandse arbeidsproductiviteit dus uitzonderlijk.

Maar hoe lang nog? Omdat Ritzen en zijn staatssecretaris Netelenbos nattigheid voelen, hebben ze de steven wat gewend met begrippen als 'kenniseconomie' en 'onderwijs op maat'. Kennelijk net op tijd, want in de Tweede Kamer werd vorige week amper over de consequenties hiervan gesproken. De volksvertegenwoordiging richtte haar pijlen vooral op een paar kleinere stenen des aanstoots: zoals de verhoging van de prestatienorm van propaedeuse-studenten naar zeventig procent (moet van de Kamer op vijftig procent gehandhaafd blijven), de voorgenomen verkorting van sommige HBO-opleidingen tot drie jaar (PvdA, CDA en GroenLinks zijn tegen) en de basisvorming op Mavo-niveau.

HET WARE BETER geweest als ook ingrijpender kwesties aan de orde zouden zijn gekomen.

Ten eerste de vraag of het 'studiehuis' eigenlijk wel zo'n goed idee is. De gedachte hierachter is dat leerlingen in het middelbaar onderwijs moeten leren om zelfstandig te werken, omdat universiteit en hogeschool dat nu eenmaal vragen. Het gevolg van het 'studiehuis' is echter dat de klassieke leraar, die door zijn liefde voor zijn vak en verhalende vermogen nieuwe werelden voor leerlingen kon openen, wordt vervangen door een soort studiebegeleider die geen tijd meer heeft voor de overdracht van kennis en sociale vaardigheden omdat hij vooral 'taken' moet uitdelen.

Sommige leerlingen kunnen de aanpak van het 'studiehuis' aan - dat zijn de kinderen die zich thuis voelen in het Montessori-onderwijs - maar dat wil nog niet zeggen dat iedereen de ouderwetse school kan missen. En evenmin dat alle leraren aardigheid hebben in een dergelijke vorm van lesgeven. Voor commerciële huiswerkinstituten zal er een interessante markt bijkomen.

In het verlengde rijst de vraag of bij het begin van het basisonderwijs niet hard moet worden ingegrepen. Vooral kinderen uit migrantengezinnen beginnen als kleuters al met een taalachterstand. Veel van hen wonen tot hun vierde jaar in een huis waar geen Nederlands wordt gesproken en spelen in een straat waar die taal ook amper is te horen. Velen halen dat nooit meer in, zeker niet als ze ook nog eens naar een etnisch gesegregeerde school gaan. In migrantenkring wordt daarom gepleit voor een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar drie jaar. De consequenties daarvan zijn enorm, zowel financieel als onderwijskundig. Het lijkt bovendien een al te technocratische oplossing die, zoals veel onderwijshervormingen, in haar tegendeel zal verkeren. Maar het wegwerken van taalachterstand van vierjarige kinderen uit allochtone gezinnen - de babyboom van nu, die over twintig jaar de Nederlandse maatschappij moet gaan schragen - is zo belangrijk dat het geoorloofd is om alle mogelijke suggesties te opperen.

Ten derde is er de teloorgang van het lager- en middelbaar beroepsonderwijs. Hoewel Nederland inderdaad een 'kenniseconomie' moet worden, is onloochenbaar dat niet alle kinderen en jongeren even cognitief zijn ingesteld. Bovendien vereist een duurzame economische infrastructuur die oog heeft voor arbeid én milieu, een herwaarding van het vakmanschap. Het idee om de MBO-scholen in te richten met computers lijkt aardig, maar heeft op de keper beschouwd veel weg van een modegril, omdat tegenwoordig alles wat digitaal is lekkerder smaakt.

Tot slot zou het geen kwaad hebben gekund als de voortgaande neiging om scholen en universiteiten louter 'af te rekenen' op hun kwantitatieve prestaties aan de orde was gesteld. Omdat ze voor hun financiering van overheidswege afhankelijk zijn van de vraag onder de leerlingen en hun ouders, zijn de verhoudingen enigszins uit het lood geslagen. De kinderen zijn voor hun opleiding niet meer aangewezen op hun leraren. Nee, de docenten zijn voor hun inkomenspositie afhankelijk van de vraag of de leerlingen wel les van hen willen hebben.

DIT IS GEEN PLEIDOOI voor de weg terug, onder het motto dat vroeger alles beter was. Elke tijd stelt zijn eigen eisen. Wat eens Homerus was, is nu wiskunde. Wat ooit exact vertalen uit het Duits was, is nu praten in het Engels. Maar één ding blijft in het onderwijs altijd centraal staan: de verhouding tussen leraar en leerling. In de komende kabinetsperiode, als er weer wat geld is te verdelen, zou de aandacht daarop gespitst moeten zijn.