Gak-topman: marktwerking geen doel op zich

Verzekeraars en pensioen- fondsen hebben zich massaal op de markt van de sociale zekerheid gestort. Niet door prijsconcurrentie aan te gaan, maar door samen te werken met be- staande uitvoeringsorgani- saties. Gak-topman De Jong wijst kritiek van de hand dat partijen hierdoor marktwerking frustreren.

AMSTERDAM, 17 NOV. Concurrentie in de sociale zekerheid lijkt volgens de voorzitter van de Raad van Bestuur van de Gak Groep, dr. E. P. de Jong, een doel op zich geworden. “Marktwerking is geen doel, maar een middel om bijvoorbeeld zo min mogelijk mensen met een uitkering te hebben”, legt De Jong uit.

De 'instroom' in een uitkering moet zo klein mogelijk zijn, en de 'uitstroom' zo groot mogelijk. Als een uitvoerder van de sociale zekerheid daar niet aan voldoet, zal op de vrije markt na het jaar 2000 onherroepelijk faillissement volgen.

Hoe organisaties zoals het Gak dat moeten gaan doen, is vers twee. Zolang het wat politiek Den Haag betreft maar zo goedkoop mogelijk gebeurt. Marktwerking is daarvoor het beste recept, zo staat in het regeerakkoord van het huidige kabinet. Hoe meer uitvoerders van bijvoorbeeld de Ziektewet, de WAO en de WW, hoe heviger de concurrentie om de gunst van de klant. En zoals elke politicus met minstens één jaar economie op middelbaar schoolniveau weet: bij een groot aantal aanbieders van een homogeen product zoals een sociale verzekering, vindt automatisch prijsconcurrentie plaats.

Dat was de theorie, maar de praktijk op weg naar het jaar 2000 lijkt anders uit te pakken. De vijf bestaande uitvoeringsinstellingen (Gak, SFB, Cadans, GUO en USZO) zijn alle samenwerkingsovereenkomsten aangegaan met financiële giganten, vooral verzekeraars. Het waren juist de verzekeringsmaatschappijen waarvan gehoopt werd dat die de concurrentie met Gak c.s. aan zouden gaan. In plaats daarvan stuurt De Jong met de Gak Groep - “Als de wet het mogelijk maakt” - aan op een volledige fusie van Achmea, een concern waarvan onder andere de verzekeraars Centraal Beheer, Avero en Zilveren Kruis deel uitmaken.

Zo lijkt het er op dat de sociale verzekeringsmarkt er in de volgende eeuw vrijwel hetzelfde uitziet als nu, namelijk een oligopolie met een klein aantal aanbieders. Het verschil zal zijn dat de nieuwe financiële giganten complete productenpakketen aanbieden: alle denkbare verzekeringen, arbodiensten, pensioenen en reïntegratievoorzieningen voor werknemers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt. In de optimistische visie van Gak-topman De Jong hebben vooral kleine ondernemers straks geen omkijken meer naar dit deel van het personeelsbeleid. Politiek Den Haag maakt zich zorgen over de manier waarop de markt zich dreigt te ontwikkelen. De Jong vindt die angst ongegrond: “Als men al bang is voor een oligopolistische structuur, dan kan de overheid die eenvoudig breken. Het is per slot de overheid die de regels van de markt zal bepalen.” De Jong erkent dat het aantal uitvoerders dat de nieuwe markt zal betreden betrekkelijk klein zal zijn - niche-aanbieders daargelaten. Een zekere schaalgrootte is volgens De Jong nodig, omdat als er al winsten worden behaald, deze gering zullen zijn. “Maar het kan voor een onderneming toch interessant zijn om ook in de uitvoerdersmarkt te stappen, omdat die dan een compleet pakket van dienstverlening kan aanbieden.” De Jong denkt aan grote pensioenverzekeraars, grote administratiekantoren of een groot bank/verzekeringsconcern.

Waar financiële concerns samen willen werken met uitvoeringsinstellingen, wil ook de belastingdienst een deel van het werk naar zich toe halen. Het gaat daarbij om het innen van premies. De Jong ziet weinig in deze nieuwe concurrent. Hij heeft uitgerekend dat de premiebetaler dan duurder uit is. “Alles is zo ingewikkeld geworden dat alleen een gespecialiseerde uitvoeringsinstelling nog weet hoe het werkt.”

Organisaties zoals het Gak bestaan sinds enkele jaren uit twee 'poten': het publieke deel dat de sociale wetten uitvoert en een private tak met commerciële activiteiten, zoals arbodiensten, verzekeringen en uitzendwerk en detachering. Uitgangspunt is dat er tussen de publieke en private poot een strikte scheiding van informatie en financiering bestaat, of een opdrachtgever nu uit beide poten diensten afneemt of niet. “Dat is een gekke scheiding die doelmatige dienstverlening in de weg staat”, meent De Jong. De wet verbiedt nu dat de commerciële tak de publieke uitvoering ondersteunt. Bouw-uitvoerder SFB werd zo op de vingers getikt toen het commerciële diensten aanbood in een brief aan alle werkgevers die in het bestand zaten van de publieke poot.

Wat De Jong betreft moet de scheiding tussen de twee poten komen te vervallen. Bij het opheffen daarvan “moet de organisatie wel zo zijn ingericht dat toezichthouder CTSV ons goed in de gaten kan houden”. Het CTSV controleert of de regels van de overheid door de uitvoerders worden nageleefd. De Jong wil naast een toezichthouder ook een coördinator bij de sociale zekerheidsmarkt betrekken. Die coördinerende rol moet volgens De Jong in de nieuwe wet, waarmee de organisatie van de uitkeringsmarkt wordt geregeld, worden toebedeeld aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).

Nu speelt het Lisv een heel andere rol. Het Lisv sluit nu contracten namens bedrijven of bedrijfstakken die wellicht liever rechtstreeks zaken willen doen met bijvoorbeeld de Gak Groep. Het Lisv is daarmee de enige opdrachtgever voor alle uitvoeringsinstellingen èn moet tegelijkertijd de onderlinge concurrentie bevorderen. “Al met al een tamelijk imperfecte markt met één opdrachtgever en vijf aanbieders”, meent De Jong.

De Jong wil dat werkgevers rechtstreeks zaken kunnen doen met de uitvoerder van hun keuze. Zo zijn er evenveel opdrachtgevers als werkgevers. Wat de Gak-voorzitter betreft komen er straks ook veel meer aanbieders dan de vijf die nu na 2000 worden verwacht. “Men vindt het raar als ik, met 60 procent van alle werkgevers als klant, zeg dat ik meer concurrenten wil. Maar we worden graag uitgedaagd om het onze concurrenten zo moeilijk mogelijk te maken, gewoon door de beste te zijn.”

    • Robert Giebels