De psalmen galmen

Muziek neemt in de meeste kerkdiensten een belangrijke plaats in. Daarbij gaat het veelal om orgelmuziek. De zanger D.C. Lewis, pseudoniem voor Ruud Eggenhuizen uit Arnhem, maakte in 1970 met de befaamde organist Feike Asma een tamelijk populair geworden plaatje, getiteld 'Mijn Gebed'. Hij zong dat hij niet voor de preek naar de kerk kwam, maar alleen voor de muziek. Daarin vond hij de troost die het gesproken woord hem niet kon bieden.

Hoewel zeker protestantse kerkdiensten van oudsher woorddiensten zijn waarin de uitleg van de bijbel centraal staat, heeft ook muziek er een belangrijke functie. Het gezamenlijk zingen van psalmen, gezangen en geestelijke liederen, waartoe de apostel Paulus oproept, is een wezenlijk onderdeel van de liturgie.

Een van de met grote regelmaat terugkerende thema's in de discussie over vorm en inhoud van de liturgie is de vraag welke liederen wel en welke niet kunnen worden gezongen. Sommige kerken beperken zich tot de psalmen, in een breed spectrum gebruikt men het Liedboek voor de Kerken met behalve de 150 psalmen ook 491 gezangen, terwijl daarnaast in veel diensten in toenemende mate 'vrije' liederen van allerlei snit worden gezongen.

In een artikel in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift constateert R.A. Bosch, predikant te Schiedam, dat er onder kerkgangers en voorgangers een duidelijke voorkeur bestaat voor liederen die de vroomheid van de ziel prikkelen boven de weerbarstiger psalmen en de daarvan afgeleide liederen. De kerkganger wil bevestigd worden in zijn stichtelijk gevoel.

Was het vroeger de liederenbundel van Johannes de Heer waaruit gelovigen met overgave zongen, tegenwoordig vinden vooral bundels met zogeheten opwekkingsliederen en zelfs versjes van Elly en Rikkert gretig aftrek. Het marktprincipe is in de kerk doorgedrongen. Veel predikanten en voorgangers kiezen de liederen waarvan ze weten dat de gemeenteleden ze graag en met overgave zingen. Een kwestie van vraag en aanbod.

Dat heeft tot gevolg dat in veel diensten van de 150 psalmen alleen de 'hapklare nummers', de schlagers, overblijven, zoals psalm 84, 89 (vers 7 en 8), 98, 103 en 118. Ook de grote variëteit die het Liedboek voor de kerken biedt, wordt vaak maar zeer ten dele gebruikt. “We componeren een woorddienst, waarin we exact formuleren wat we geloven en voelen moeten, en zoeken daar dan de versjes bij”, schrijft Bosch. “Maar wat je dan soms onder ogen moet krijgen, liedjes van ervaring en idealen, steunt en kreunt toch vaak om een groot rood potlood.” Bosch hekelt de poëtische zwakte en het weeë karakter van veel van deze liederen. “Wordt de bijeenkomst van de gelovigen dan niet tot een stichtelijke samenkomst? Moet in de ware eredienst niet veel meer spanning hangen, veel meer de prikkel aanwezig blijven, die het hele menselijk leven pijnigt?”, aldus dominee Bosch.

Hij doet een dubbele aanbeveling: geef de kerk de psalmen terug en ijk de andere in de kerk gezongen liederen aan de psalmen. “Zingen we alle psalmen, dan worden we als gemeente in de loop van de tijd langs allerlei stations gevoerd waar we eigenlijk nooit hadden willen komen, de stations van diepste ellende, van haat- en wraakgevoelens, van minachting en vertwijfeling, van dodelijke ziekte en godverlatenheid, dan nemen we zelfs gevloek en getier in de mond. Dan ervaren we pas echt wat ze in de kloosters de eeuwen door zeiden, dat ze in de psalmen niet hun eigen lied zongen, maar het lied van de wereld, omdat dat het lied voor God is.”

Het vrome gemoed kan niet de maatstaf van de zondagse eredienst zijn. “Wij definiëren niet het doel van de psalmzang, de psalmzang definieert ons”, belijdt Bosch. Het zingen mag, volgens hem, best wat meer moeite kosten en meer aandacht vergen.

In zijn Brevier schrijft de in 1945 door de nazi's omgebrachte Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer: “Bach heeft boven al zijn stukken geschreven: Soli Deo Gloria; en het is of zijn muziek niets anders is dan één onvermoeibare lofprijzing van deze God. Beethovens muziek daarentegen manifesteert zich als de onvergankelijke expressie van menselijk lijden en menselijke hartstochten. Bach kunnen we in de kerk horen, Beethoven niet.”