Zonder uitzondering moet iedereen kunnen trouwen

Op het rapport-Kortmann zijn veel ludieke commentaren gevolgd. Dat is niet verwonderlijk, vindt Pieter Kottman. Zakelijke argumenten tegen de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht zijn er niet.

H. Wesseling, hoogleraar geschiedenis te Leiden, wist precies hoe het zat in zijn stukje Van homohuwelijk en superhuwelijk (NRC Handelsblad 6 november). Dat wil zeggen: soelaas voor het verschrikkelijke dilemma van de wetgever of het burgerlijk huwelijk nu wel of niet voor twee personen van hetzelfde geslacht moet worden opengesteld, boden Wesselings bespiegelingen niet, maar de schrijver was desondanks zeker genoeg van zijn zaak om er smalend over te doen. Als twee mannen of twee vrouwen de mogelijkheid geboden wordt te trouwen, waarom zouden dan niet ook een mens en een dier in de echt kunnen worden verbonden, zo vroeg hij zich af.

Het is een vraag die meer zegt over Wesseling (ook nog de gewezen studie-mentor van kroonprins Willem-Alexander) dan over de kwestie waar het om gaat. We moeten het er maar op houden dat professor Wesseling van een gebbetje houdt. Maar intussen symboliseert zijn bijdrage aan de discussie over het zogenoemde 'homohuwelijk' wel het niveau van de tegenstanders.

Als bij afspraak lopen deskundigen en stukjesschrijvende leken ineens te hoop tegen het instituut huwelijk in het algemeen. Zelf getrouwd of in elk geval democraat genoeg om niemand een recht te willen ontzeggen dat zijzelf wel hebben, vinden ze het plotseling dringend noodzakelijk te betogen dat het huwelijk een anachronisme is, een instrument van vrouwenonderdrukking, een gevangenis. Ook wijzen ze erop dat er op grote schaal gescheiden wordt en dat je dus wel gek moet zijn om in al die ellende te willen delen: Liz Taylor (Wesseling weer) ziet er, na acht huwelijken, immers ook niks meer in. Geliefd retorisch middel is ook het belachelijk maken van de wens van twee mannen om te trouwen door te verwijzen naar de witte jurk en het altaar.

Dat is natuurlijk inderdaad om het uit te proesten, maar al deze bezorgdheid en grappen hebben niets te maken met bijvoorbeeld de, in juridisch opzicht, vogelvrije status van de twintigduizend kinderen die in Nederland bij homoseksuele paren opgroeien - een van de redenen die openstelling van het huwelijk zo urgent maken, als het simpele gelijkheidsbeginsel al niet voldoende reden op zichzelf is. Het gaat helemaal niet om een waardering van deze of gene van het instituut huwelijk, het gaat erom dat het vooralsnog bestaat en dat van de zakelijk-juridische voordelen ervan één groep geen gebruik kan maken.

Verwonderlijk is alle lolbroekerij intussen niet, want zakelijke argumenten tegen openstelling van het burgerlijk huwelijk - waardoor iedereen, ongeacht ras, sekse enz. van deze louter juridische instelling gebruik kan maken - zijn er niet en heb ik tot op heden niet gehoord. Ook niet van de commissie-Kortmann, die onlangs met de openbaarmaking van haar bevindingen het startsein gaf voor een nieuwe golf ludieke commentaren. De instelling van de commissie, in juni van dit jaar, was op zichzelf rijkelijk overbodig en zelfs enigszins laakbaar. Eraan vooraf ging een stemming in de Tweede Kamer, waaruit bleek dat een ruime meerderheid van de volksvertegenwoordiging voorstander was van openstelling van het burgerlijk huwelijk. Staatssecretaris Schmitz trotseerde die meerderheid, onder lukrake verwijzing naar “brede lagen van de bevolking” die “er niet aan toe” zouden zijn. In andere gevallen (de kwestie-Gümüs bij voorbeeld) liet ze zich aan die brede lagen - terecht of onterecht - weinig gelegen liggen en bovendien wijzen de schaarse peilingen over het onderwerp in dit geval op het tegendeel. Dit weerhield Schmitz er echter niet van, voor het front van de door diezelfde bevolking gekozen afgevaardigden, haar eigen persoonlijke overtuiging van een democratisch vernisje te voorzien. Daarbij deed ze impliciet een beroep op onverdraagzaamheid: ze hóópte dat die brede lagen er niet aan toe zouden zijn.

De kwestie is überhaupt de trekken gaan vertonen van een ethische lakmoesproef, want fatsoen bleek ook voor de commissie een rekbaar begrip. Hoewel haar conclusie grosse modo is dat het burgerlijk huwelijk moet worden opengesteld voor personen van hetzelfde geslacht, heeft zij, in het rapport en in de publiciteit, ongebruikelijk veel ruchtbaarheid gegeven aan het minderheidsstandpunt (tegen openstelling) dat drie van de acht leden huldigen. Prof. S. Kortmann, hoogleraar burgerlijk recht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, behoort tot die minderheid en heeft als voorzitter en woordvoerder zoveel aandacht gegeven aan zijn eigen standpunt, dat nu de indruk overheerst dat de commissie “er (niet is) uitgekomen” (opnieuw Wesseling).

Ronduit ergerlijk is de handelwijze van commissie-lid Dorien Pessers, medewerkster vrouwenstudies aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam, geweest. Dat ook zij tot de al te luidruchtige minderheid behoorde, was geen verrassing meer. Vorige maand, toen de commissie dus nog volop aan het werk was, bestond dit lid het een artikel te schrijven in de Volkskrant ('Hedendaags Narcisme', 23 september), waarin ze verhaalt over een homoseksuele hoogleraar die een kind kreeg van een draagmoeder om het vervolgens, wegens zijn drukke werkzaamheden, bij zijn moeder te stallen.

“Narcistische voortplanting” noemde Pessers dit niet toevallig gekozen voorbeeld, en passant geheel ten onrechte suggererend dat bijvoorbeeld een kind uit haar eigen schoot een altruïstische bijdrage aan het welzijn van de wereld zou zijn. Alle voortplanting is een blijk van, behalve levensdrift, narcisme en soms ontaardt dat laatste inderdaad op schrijnende wijze, zoals - om louter numerieke redenen - heel wat meer heteroseksuele dan homoseksuele ouders bewijzen.

Maar de motieven voor voortplanting zijn sowieso niet aan de orde. Aan de orde is het eenvoudige gegeven dat ook homoseksuelen kinderen hebben, die recht hebben op juridische bescherming. Juist op dit punt heeft de commissie en in elk geval woordvoerder Kortmann onevenredig veel nadruk gelegd op de “strikte voorwaarden” waaronder adoptie door de niet-biologische 'ouder' van het getrouwde homo-stel mogelijk moet zijn. De commissie acht een “essentieel verschil” tussen hetero- en homo-huwelijken met kinderen, dat in het laatste geval altijd sprake is van een derde, hetzij een (draag-)moeder, hetzij een verwekker.

De aanwezigheid van een derde is in het laatste geval inderdaad een vast gegeven, maar principieel is er desondanks geen enkel verschil tussen hen en bijvoorbeeld een gescheiden moeder met kinderen die hertrouwt. Over zo'n huwelijk doet niemand moeilijk en een eventuele adoptie door de stiefvader doet ook de commissie-Kortmann af in een voetnoot. Zeker, adoptie, waarbij alle juridische banden tussen het kind en de biologische ouder(s) verbroken worden, is ingrijpend, maar waarom er kennelijk speciale 'grote omzichtigheid' geboden is ten aanzien van adoptie door de niet-biologische ouder binnen een huwelijk van homoseksuelen is duister en maakt ook de commissie niet duidelijk.

Ze verduidelijkt eerder het tegendeel, gezien haar overweging dat “in veel gevallen (van de stiefouderadoptie) het vragen om instemming met het verbreken van elke juridische relatie tussen een ouder en zijn kind (-) teveel gevraagd is”. De commissie praat hier uitsluitend over heteroseksuele huwelijken - het homoseksuele huwelijk bestaat immers nog niet en vooralsnog is een huwelijkse relatie een van de wettige voorwaarden voor adoptie - , maar acht die weerbarstige praktijk tevens van toepassing op de homoseksuele variant. En dat zou weleens anders kunnen uitpakken, juist omdat de aanwezigheid van een derde partij bij homoseksuelen bij voorbaat gegeven is. Anders dan na een wellicht moeizame en pijnlijke echtscheiding, scheppen de betrokkenen bij een “homoseksuele” adoptie de derde-partij-situatie willens en wetens.

Reden voor een gunstiger onderscheid is dat niet: tenzij er zeer dwingende redenen zijn, hoort een overheid geen enkel onderscheid te maken. En die dwingende redenen zijn er niet, hoeveel moeite het sommigen ook kost om aan het idee van getrouwde homoseksuelen en lesbiënnes te wennen. Want meer dan een kwestie van wennen is het niet, en zelfs dat is al achterhaald, gezien de bestaande praktijk.

Los van dit alles heeft het paarse kabinet eindelijk de gelegenheid te tonen dat zijn kleur wel degelijk een verschil inhoudt met vorige kabinetten. De gewijzigde winkelsluitingswet hoeft niet het enige resultaatje te zijn van een historische omwenteling in de vaderlandse politiek. De tegenstrevende rechtsgeleerden en aanverwante intellectuelen kunnen nog wat leren van volkskomiek André van Duin die, gevraagd om een reactie op het positieve standpunt van de Tweede Kamer-meerderheid over het 'homohuwelijk', eenvoudig zei: “Mooi. Ze hebben eindelijk in de gaten dat we ook gewone mensen zijn.”

    • Pieter Kottman