Zeeuwse Rinus wil hoe dan ook zijn lusten bevredigen

Voorstelling: De Zeeuwse Paloma. Tekst en regie: Judith de Rijke; spel: Juul Vrijdag, Rogier Schippers, Sandra Mattie. Gezien: 13/11 Toneelschuur Haarlem. Aldaar t/m 22/11. Res: 023-5328450

Er kruipt Spaans bloed door de aderen van Bea. Haar voeten mogen stevig verankerd zijn in de Zeeuwse klei, in haar dromen spreidt ze als een vogel haar vleugels en vliegt ze naar Spanje, de duiven van haar man Rinus achterna.

Aan Rinus zijn die wensdromen niet besteed. Rinus wil Bea en als zij niet naar hem omkijkt omdat ze haar hart aan een ver en onbereikbaar land heeft verpand, zoekt hij zijn heil bij anderen, want Rinus is een man die hoe dan ook zijn lusten moet bevredigen. Er zijn vele vrouwen in het dorp bij wie hij zijn gerief haalt, alleen bij de jonge maagd A. heeft hij weinig succes. Zij is eindeloos op zoek naar de ware Jacob en na de verhalen van Bea over het gepassioneerde Zuiden wil ook zij de Zeeuwse bodem ontvluchten en naar het land van de zon en de flamenco vliegen.

De Zeeuwse Paloma, de eerste toneeltekst van regisseuse Judith de Rijke, is een stuk over verlangen en realiteit: 'de twee kanten van het leven' die je, zoals Bea zegt, 'niet door elkaar (moet) halen', maar die elkaar desondanks voortdurend in de weg zitten. Bea, Rinus en A., willen alle drie iets, maar de realiteit steekt er een stokje voor. De onvervulbaarheid van hun verlangen veroorzaakt eenzaamheid. Judith de Rijke, die haar stuk zelf regisseerde, maakt het isolement van de personages zichtbaar in de mise-en-scène: de acteurs staan meestal ver uit elkaar in verschillende hoeken van de speelvloer, ze hebben weinig lichamelijk contact.

Het onvermogen nader tot elkaar te komen lijkt een terugkerend thema in de voorstellingen van De Rijke en steeds toont ze dat isolement ook in de afstand die de spelers tot elkaar bewaren, zowel in haar regiedebuut De moed om te doden van Lars Norén in 1995, als vorig jaar in haar enscenering van De gids van Botho Strauss.

Die voorstellingen waren sober vormgegeven en dat geldt ook voor De Zeeuwse Paloma. Alles in de kale ruimte is grijs: de vloer, de zinken badkuip en het ijzeren trapje. Het is de kleur van de Zeeuwse klei en de zee waar Bea en A. dikwijls verlangend naar staren, maar de kleur weerspiegelt ook de grauwheid van hun bestaan. De voorstelling is echter geen psychologisch boerendrama; regie en spel neigen eerder naar licht absurdisme. De figuren kunnen zich moeilijk uiten maar soms reageren ze opeens vreemd heftig en karikaturaal.

Juul Vrijdag als Bea loopt rond met een pistool dat ze in frustratie vaak op een denkbeeldig doel in de lucht richt. Ze speelt een stevige, wat volkse vrouw in een flamencorok om wie ik me af en toe geamuseerd heb. Dat was minder het geval bij Rogier Schippers en vierdejaars Toneelschoolstudente Sandra Mattie: hun licht aangezette rollen ontberen de abrupte humor van Juul Vrijdags spel.

De voorstelling is geen drama maar evenmin een bevredigende groteske. De enscenering hangt er op een geforceerde manier tussenin en dat maakt het moeilijk de kwaliteit van de tekst te beoordelen. Een minder gekunstelde mise-en-scène zou al veel schelen.

    • Noor Hellmann