Weinreb (4)

Het is jammer dat onderzoekster dr. Grüter de Weinreb-zaak niet in verband heeft gebracht met het op dit moment spelende vraagstuk over kroongetuigen en de vraag wat voor deals met kroongetuigen mogen worden afgesloten. Die vraag zou een heel ander licht op de Weinreb-zaak hebben geworpen.

Wat is toegestaan met kroongetuigen, is pas onlangs in 1992 door de Hoge Raad min of meer vastgelegd en zal bijvoorbeeld in het Hakkelaar-proces zeker nader worden uitgeprocedeerd. Ik ben niet de enige, die een relatie ziet tussen het belang van een juridische kijk op de Weinreb-zaak en de kroongetuigenvraagstukken.

Zo merkte Nuis als een der eersten in zijn geschrift Het monster in de huiskamer op, dat Weinreb vlak na de oorlog is veroordeeld met behulp van kroongetuigen, zonder dat aan het gebruik van die kroongetuigen voorwaarden werden gesteld. Nuis heeft in dat verband gelijk, als hij zegt dat de zaak-Weinreb past in het tijdsbeeld. Juridisch is zijn kritiek op het gebruik van kroongetuigen in de zaak-Weinreb niet weerlegd. Dat komt, omdat destijds kennelijk niet werd nagedacht over het verschijnsel kroongetuige.

Van het RIOD mochten en mogen daarentegen verdachten van verraad veroordeeld worden op grond van verklaringen van getuigen, van wie vaststond dat het schurken waren. “Het ging nu eenmaal niet anders”, schrijft het RIOD in het Weinreb-rapport op pagina 498 zonder enige reserve. “Op deze - misschien weinig fraaie maar onmisbare - methode, is voorzover wij weten geen principiële kritiek van enige omvang uitgeoefend.”

Zelfs als het RIOD zelf aantoont dat SD-er Koch - een bekende oorlogsmisdadiger, die optrad als kroongetuige tegen de van verraad verdachte jood Weinreb - apert liegt, dan heeft dat geen gevolgen voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuige.

Inmiddels is de RIOD-visie op de kroongetuige achterhaald. Dat inzichten over de kroongetuige verder zullen worden genuanceerd staat eveneens vast.

Weinreb werd na de oorlog veroordeeld wegens verraad door de Bijzondere Raad van Cassatie. Dat was toen het hoogste gerecht dat oorlogsmisdaden beoordeelde.

Na het verschijnen van Pressers Ondergang ontstond het idee dat het vonnis van de Bijzondere Raad van Cassatie niet klopte. Er werd toen niet een nieuw (revisie)proces gevoerd. Nee, er werd door het RIOD in opdracht van de toenmalige minister van justitie Van Agt een onderzoek verricht naar Weinreb. Een onderzoek dat, alleen uit zijn naam al, op geen enkele manier met een (revisie)proces vergeleken kan worden. Kennelijk had men er geen zin in het gerechtsapparaat te belasten met het horen van 2000 getuigen.

Weinreb werd door het RIOD veroordeeld 'per onderzoek'. Er speelde in de jaren '70 een volgens Grüter door de tijdgeest bepaalde discussie. Die discussie is nu door haar onderzocht. Het onderzoek van Grüter is, als ik het goed begrijp, een onderzoek naar een discussie over een onderzoek geworden. Grüter heeft het onderzoek van het RIOD of de uitspraak van de Bijzondere Raad echter niet op zijn juridische merites bekeken. Grüter is historica, geen juriste. Met behulp van delicten van Weinreb gepleegd na de oorlog toont Grüter aan dat Weinreb een oplichter moet zijn geweest. Dat is een te eenvoudige conclusie als meer aandacht was besteed aan de rol van kroongetuigen, zoals dat nu in de Hakkelaar-zaak gebeurt.

Ik vermoed dat het vonnis van de Bijzondere Raad of het RIOD-onderzoek over Weinreb gezien vanuit deze tijd, voor zover dat bedenkbaar is, in het licht van de ontwikkelingen over kroongetuigen, geen stand zou houden.

    • Mr. E. van Voolen