Weinreb (1)

De spreekwoordelijke eigenschappen van een kameleon zijn als geen ander van toepassing op de staatssecretaris van Cultuur. De kleuren die Aad Nuis in steeds nieuwe situaties aanneemt zijn echter niet zo fraai als die van de kameleon zelf, zo heeft men de laatste dertig jaar kunnen vaststellen. En ook nu verschiet Nuis nog schielijk van kleur, tot op de dag van vandaag geplaagd en gekweld door de 'Weinreb-affaire' nu onlangs het proefschrift van Regina Grüter verscheen waarin de zaak-Weinreb wordt gereconstrueerd.

Het is overigens ironisch dat hiermee postuum een wens in vervulling gaat van Nuis' dappere kompaan en medestrijder in de wanhopige poging tot verdediging en rehabilitatie van Weinreb, Renate Rubinstein, die in een uit 1989 daterend essay nog moedeloos verzuchtte dat een promovendus de zaak eens zou moeten uitzoeken. Dertien jaar waren toen verstreken sinds de publicatie van het 1.700 pagina's tellende en vernietigende rapport van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1976.

Dit rapport liet geen spaan heel van Friedrich Weinreb en daarmee evenmin van Nuis en Rubinstein, maar had haar niet kunnen overtuigen van haar ongelijk. Op 16 oktober 1976 schreef zij in Vrij Nederland dat ze veel zin had om 'terug te meppen' en dat dan met name 'Hermans, Leeuw en Veth' er van langs zouden krijgen. Inmiddels is het nog eens acht jaar later en komt promovendus Grüter met vergelijkbare conclusies. Pijnlijk dus, althans voor Nuis die nog steeds doet of er niets aan de hand is. Rubinstein overleed in 1991 en hoeft dit dus niet meer mee te maken.

De vraag die opnieuw centraal staat is: 'Hoe kan Nuis een oplichter verdedigen?' Op 5 november reageerde Nuis in een artikel in Trouw, dat in NRC Handelsblad integraal werd overgenomen. In dat artikel stond overigens niets dat echt de moeite waard was. Een derde van de ruimte die het afdrukken kostte werd door Nuis gebruikt om de maatschappelijke verhoudingen en de positie die hij in de jaren '60 innam te beschrijven - alsof dat nu nog interessant is. Voor het overige bevatte het dezelfde hopeloze argumenten die Nuis al dertig jaar te berde brengt in een niet aflatende poging Weinreb, maar vooral zichzelf te verdedigen.

Feitelijk probeerde Nuis natuurlijk op een behendige wijze alsnog te verhullen wat zijn kwalijke rol in deze affaire inhield, hopend dat het immer neerdwarrelende stof der historie inmiddels veel zou hebben bedekt. Behalve voor diegenen die zich er destijds enigszins in hebben verdiept of er rechtstreeks bij betrokken waren, is hij daarin waarschijnlijk wel geslaagd. En aldus is wat zich na de publicatie van Grüters proefschrift in de media afspeelde niet eens een rimpeling in een vijver te noemen, terwijl de 'Weinreb-affaire' in de jaren '60 en '70 toch de gedaante had van een waterval die zich kletterend over ons land uitstortte. De bedrieglijke figuur die Weinreb was wordt, dankzij dit proefschrift, nu weer even, maar waarschijnlijk zeer kortstondig, aan de vergetelheid onttrokken. Het is - met alle respect voor de kwaliteit van het proefschrift - niet meer dan een schim van het verleden.

Voorts probeert hij het verleden met een dikke laag stof te bedekken en heeft hij er geen enkel belang bij de zaak op te rakelen en zichzelf in diskrediet te brengen. De ondubbelzinnige steun die in 1969 aan Weinreb werd gegeven, en in 1979 al wat werd afgezwakt, is nu getransformeerd tot een houding die lijkt te zeggen: misschien was het allemaal niet zo netjes wat Weinreb heeft gedaan, maar het is nu eenmaal zo dat het nooit onomstotelijk is aangetoond. Nuis diskwalificeert zichzelf daarmee. “Soms zit er niets anders op dan te leven met de twijfel”, stelt Nuis. Twijfel? Nuis is nog steeds niet in staat ruiterlijk te erkennen dat hij toen een volstrekt foute beoordeling heeft gemaakt.

Grüter verwijt Nuis dubbele conclusies en inconsistenties en dat is terecht. Maar oude tijden herleven gemakkelijk bij Nuis, die aanvoert dat Grüter “sterk op Van der Leeuw heeft gesteund en zijn rapport niet kritisch analyseert.” Waar hebben we dat eerder gehoord en wanneeer hebben we dat eerder gelezen? Was Nuis blind voor de partijdigheid die Rubinstein ten toon spreidde? Nuis probeert aan het definitieve oordeel te ontsnappen - de klassieke vlucht naar voren. “Er is enige historische verbeeldingskracht voor nodig om zich die achterhaalde situatie voor te stellen”, probeert Nuis nog, en: “Ik was door een toeval getuige geworden (...)” Toeval? Of was het misschien toch een bewuste keuze? En in de slotzin van het artikel heeft Nuis de zaak - wat hem betreft voorgoed - afgedaan als een 'oude koe' die uit de sloot is gedregd.

Een 'oude koe', 'toeval' en 'een achterhaalde situatie'! Dat is in de jaren '90 dus de samenvatting van een reeks van leugens, bedrog en verraad die in de oorlog en daarna hebben plaatsgevonden, als gevolg waarvan 70 mensen de dood in zijn gejaagd. De man die dat op zijn geweten heeft werd door Nuis ruimhartig gesteund. De niet uitgesproken wens van Nuis om het boek nu eens en voor altijd te sluiten is evident. Maar zou het Nuis niet tot eer strekken indien hij oprecht toegeeft en met stijl zijn ongelijk bekent? Hij bezit al het imago van een middelmatig recensent en een mislukt schrijver. Moet daaraan ook nog worden toegevoegd het imago van 'fout politicus' die zich comfortabel heeft genesteld in het pluche van de autoriteiten die hij 30 jaar geleden zo hartgrondig vervloekte?

    • Willem Jonkman