Van baksteen tot tijdelijk centrum

Blauwe Kamer Profiel. Tijdschrift voor landschapsontwikkeling en stedebouw. September 1997, nummer 4. Prijs fl 21,50. Tel. 0317-425890

ACH, HET WAS zo eenvoudig vroeger. De school lag vaak op een duidelijke plek, vlak bij een kerk bijvoorbeeld, als je katholiek was. Of aan een pleintje, als je op een openbare school zat. De schoolgebouwen zelf waren gemakkelijk als zodanig herkenbaar: strenge, meestal bakstenen gebouwen, die met sobere educatieve ornamenten en hoge lokalen en ramen duidelijk maakten dat men hier kwam om te leren.

Zo is het al lang niet meer, blijkt uit het septembernummer van Blauwe Kamer Profiel, het 'tijdschrift voor landschapsontwikkeling en stedebouw' dat is gewijd is aan de architectuur van het onderwijs. Zelfs universiteitsgebouwen die in steden als Eindhoven en Utrecht op campusterreinen zijn neergezet, hebben hun langste tijd als 'oase' gehad. Steeds meer worden de universiteitsenclaves 'multifunctionele, stedelijke entiteiten', zo laat het artikel 'De campus zoekt de stad op' zien.

Het andere lange artikel over onderwijsarchitectuur beschrijft een soortgelijke ontwikkeling in basis- en middelbaar onderwijs. “De school wordt ondergebracht in een multifunctioneel gebouw en de schaarse en dure grond wordt efficiënt gebruikt door de verschillende functies te stapelen”, schrijft Matthijs de Boer in 'Scholeneilanden en scholendorpen'.

Voor hij tot deze conclusie komt heeft hij op heldere wijze in grote lijnen de ontwikkeling van een eeuw scholenbouw geschetst. In het begin van deze eeuw werden scholen op mooie plekken gesitueerd, zoals Berlage bijvoorbeeld deed in zijn beroemde Plan-Zuid. Later, na de Tweede Wereldoorlog, werd de wijkgedachte een praktische leidraad voor de positionering van scholen. Onder invloed van de opvattingen van het Nieuwe Bouwen werden nieuwe wijken in de wederopbouwtijd doorsneden door een assenkruis van groenstroken waarin onder meer onderwijsvoorzieningen werden geplaatst. “De nieuwe, groene schoollocaties boden de scholieren ruimte, licht en lucht, ter compensatie van de omstandigheden in de woning en de omgeving in de woning en de woonomgeving”, schrijft De Boer. “De scholen van het gangtype werden impopulair toen de gebouwen niet meer gebonden waren aan de beperkingen die de bouwblokken en de rooilijnen met zich meebrachten. De klaslokalen konden losjes in clusters rond een centrale hal worden gegroepeerd.”

SCHAALVERGROTING

Maar ook dit soort scholen behoren tot het verleden. Er zijn allerlei ontwikkelingen in het onderwijs gaande, die grote consequenties hebben voor de schoolarchitectuur. Zo streeft de overheid, acht jaar na de samenvoeging van kleuter- en lager onderwijs, alweer naar schaalvergroting van het basisonderwijs, zodat er minder scholen nodig zullen zijn. Daar staat dan weer tegenover dat de onderwijswereld zelf aandringt op kleinere klassen voor beter onderwijs. Grotere scholen met meer klaslokalen zouden het logische gevolg van deze twee veranderingen zijn, maar er speelt nog meer. De wijken op de VINEX-locaties bij de grote steden, waar de komende jaren 800.000 woningen worden gebouwd, zullen minder schoolgaande kinderen kennen dan die van 30 jaar geleden. Dit betekent, zeker als men uitgaat van de door de overheid gewenste schaalvergroting, een kleiner aantal scholen per vierkante kilometer in de VINEX-wijken. “Toch is”, zo schrijft De Boer optimistisch, “met een simpel rekensommetje aan te tonen dat in de nieuwe wijken een verantwoorde distributie van basisscholen haalbaar is. Elke woning ligt dan binnen een straal van maximaal zo'n driehonderd meter van een school.”

MULTIFUNCTIONEEL

Maar niet alleen de stedenbouwkundige situering van de hedendaagse scholen is aan het veranderen, ook de vorm van de scholen zelf. Om efficiënt grondgebruik in de nieuwe wijken mogelijk te maken, krijgen scholen niet de vorm van afzonderlijke gebouwen, maar worden ze ondergebracht in multifunctionele centra met beneden winkels en boven een school met een dakterras als speelplaats bijvoorbeeld, zoals architectenbureau Kristinsson in Deventer heeft voorgesteld.

Ook met de toekomstige vergrijzing moeten de scholenbouwers rekening houden. Aan veel scholen zal slechts tijdelijk behoefte zijn, zodat architecten schoolgebouwen moeten ontwerpen die gemakkelijk een andere functie kunnen krijgen. Een andere toekomstige ontwikkeling is die van het 'teleleren'. “Wat zullen de gevolgen voor het school zijn als de kinderen straks via moderne telecommunicatie en mediamachines thuis de schoollessen kunnen volgen? En wat zullen daarvan de stedebouwkundige consequenties zijn?” vraagt De Boer zich af.

Echte antwoorden op al deze vragen hebben architecten nog niet gevonden, zo blijkt in Blauwe Kamer Profiel. Er is wel een studie-opdracht verstrekt aan verschillende architecten over de 'School van de toekomst', maar wat de resultaten hiervan zijn, wordt niet erg duidelijk in het artikel van De Boer. Zo eindigt zijn stuk na een heldere uiteenzetting over de vele invloeden die de vorm en situering van de huidige en toekomstige scholen bepalen, een beetje wazig. Maar waarschijnlijk kan dit ook niet anders: wat de toekomst van de school wordt, is immers nog hoogst onzeker.