Tsjaad neemt alvast een voorschot op oliedollars

In Tsjaad, één van de armste landen van Afrika, zijn rijke oliebronnen aangeboord. Shell, Exxon en Elf gaan ze exploiteren. President Idriss Déby laat zijn troepen schieten op voorstanders van autonomie voor het olierijke zuidwesten.

ROTTERDAM, 15 NOV. Julien Beassemda heeft zijn terugkeer naar Tsjaad voor onbepaalde tijd uitgesteld. Begin november - hij was op bezoek in Duitsland - kreeg hij een verontrustend telefoontje van zijn vrouw. Hun huis in Moundou, de tweede stad van Tsjaad, in het uiterste zuidwesten van het land, was op 30 oktober in de as gelegd en hun gasten, voormalige rebellen van de Forces armées pour la république fédérale (FARF), waren dood. Een eenheid van de presidentiële garde had het groepje huizen in Moundou, waar de ex-FARF-soldaten logeerden in afwachting van hun integratie in het regeringsleger, omsingeld en onder vuur genomen. Tussen de 40 en 80 mensen - ex-rebellen en burgers - lieten het leven bij deze verrassingsaanval. De leider van het FARF, Laoukien Bardé, wist te ontkomen aan het presidentiële executiepeloton en dook onder.

Julien Beassemda (49), een voormalige regeringsambtenaar, is voorzitter van de Association Tchadienne pour la non-violence (ATNV), een particuliere organisatie die zich inzet voor de rechten van de mens. Hij heeft zich het afgelopen jaar ingespannen voor een vreedzame beëindiging van één van de laatste gewapende rebellieën in Tsjaad, dat na een kwart eeuw van bloedige burgeroorlogen voor het eerst een periode van relatieve rust beleeft.

Dankzij bemiddeling van de ATNV werd op 18 april een vredesakkoord gesloten tussen de centrale regering in N'Djamena en de rebellen. Overeengekomen werd dat het FARF, dat ijvert voor een vergaande autonomie van zuidwest-Tsjaad, de gewapende strijd afzwoer en dat voormalige rebellen zouden worden opgenomen in het nationale leger en in de openbare dienst. Er zou een algemene amnestie komen voor alle strijders, aanhangers en sympathisanten van de beweging, die zou worden omgevormd tot een legale politieke partij, onder de naam Forum des alliances pour la république fédérale - eveneens afgekort tot FARF.

Sindsdien heeft de Tsjadische regering evenwel geen enkele stap gezet om de akkoorden ook uit te voeren. Beassemda: “Toen ik medio oktober naar Europa vertrok, had ik een onheilspellend voorgevoel. Dit najaar reisde een FARF-delegatie naar N'Djamena om te overleggen met president Idriss Déby. Die bleek geen tijd te hebben. Hij had zich kunnen laten vertegenwoordigen door een minister of hoge ambtenaar, maar ook die bleken niet voor een gesprek beschikbaar.”

Op 30 oktober maakte de presidentiële garde abrupt een einde aan het vredesproces.

Idriss Déby, een voormalige legerofficier die het militaire kaki heeft verwisseld voor de boubou, het traditionele gewaad van de moslim-Afrikaan, liet zich in december 1990, na een gewapende inval vanuit Soedan, uitroepen tot president. In enkele jaren wist hij met een combinatie van dreigementen en beloften een coalitie te smeden uit het amalgaam van politieke facties en regionale clans die elkaar decennialang op leven en dood hadden bevochten. De aloude kloof tussen het islamitische noorden en het niet-islamitische zuiden wist hij te overbruggen door sleutelfiguren uit beide landsdelen op te nemen in zijn regering.

In 1996 won hij de - volgens waarnemers gefraudeerde - presidentsverkiezingen van generaal Wadal Abdelkadar Kamougué, de onbetwiste sterke man van zuid-Tsjaad en tot voor kort voorstander van afscheiding. Sinds dit voorjaar is Kamougué voorzitter van het parlement en heeft hij zijn separatistische vertogen gestaakt.

Het zuiden, vanouds het economische zwaartepunt van Tsjaad, is nu belangrijker dan ooit. In 1993 werden in het zuidwestelijke Doba-bekken grote aardoliereserves aangeboord. Een consortium van Exxon (40 procent), Shell (40) en het Franse Elf-Aquitaine (20) liet een haalbaarheidsonderzoek uitvoeren met een veelbelovende uitkomst: het Doba-veld was goed voor 300 boorgaten met een gezamenlijke dagproduktie van 250.000 vaten.

Het consortium sloot daarop in januari 1995 een raamakkoord met de regeringen van Tsjaad en het buurland Kameroen. De drie gaan een pijpleiding van 1.100 kilometer aanleggen van Doba naar Kribi, aan de Atlantische kust van Kameroen. In 2000 moet de eerste tanker met Tsjadische olie afvaren uit Kribi en zullen de eerste petrodollars in de Tsjadische staatskas vloeien. Ter financiering van de infrastructuur in Doba krijgt Tsjaad een lening van 370 miljoen dollar van de Wereldbank.

Idriss Déby is zich bewust van de nieuwe mogelijkheden die de olie-inkomsten bieden, zowel voor de ontwikkeling van het straatarme Tsjaad als voor de versterking van zijn machtspositie. Het Doba-dossier drukt hij dan ook stevig aan de borst.

Een ingewijde in Franse oliekringen: “De minister van Mijnbouw, Energie en Olie, Pascal Yoadimnadji, heeft niet veel te vertellen. Hij is een Ngor uit Doba, dat is de belangrijkste reden van zijn benoeming. Déby voert de onderhandelingen en neemt alle beslissingen over het oliecontract zelf.”

Julien Beassemda: “De militairen die zorgen voor bescherming van de olievelden behoren tot de clan van Déby. De drie oliemaatschappijen kunnen zich niet verschuilen achter het argument dat ze overeenkomsten sluiten met een democratisch gecontroleerde regering. De mensen in de regio zullen niet van de oliewinning profiteren. Enkelen zullen er rijker van worden, anderen zullen sterk verarmen”.

De eerste onteigeningen hebben inmiddels al plaatsgevonden in het winningsgebied. Voor elke mangoboom die tegen de vlakte moet, betaalt de regering omgerekend tien gulden, terwijl de jaaropbrengst van zo'n boom het tienvoudige waard is. Bovendien duurt het jaren voor een aangeplante boom vrucht draagt.

Tsjaad kent geen milieuwetgeving die de drie concerns beperkingen oplegt, en evenmin een ontwikkelingsplan voor het gebied in kwestie. Beassemda: “Aanspraken uit de streek op de te verwachten oliewinsten worden, voor zover het politici betreft, afgekocht met aantrekkelijke benoemingen. Voor zover het de ex-rebellen van het FARF aangaat, worden ze met geweld gesmoord.”

Op 3 november schreef Yorongar N'garleoji, een zuiderling en de enige federalistische afgevaardigde in het parlement van Tsjaad, een brief aan zijn collega-volksvertegenwoordigers, waarin hij president Déby verantwoordelijk stelde voor het bloedige incident in Moundou. Hij schreef ook dat de voormalige rebellen van het FARF die sinds april de kant van de regering hebben gekozen, systematisch worden “opgejaagd en gearresteerd” en dat enkelen “zonder vorm van proces zijn geëxecuteerd”.

Daarop eisten president Déby en zijn nieuwe bondgenoot, parlementsvoorzitter Wadal Abdelkadar Kamougué, onmiddellijke opheffing van Yorongar's onschendbaarheid wegens “smaad”. De afgevaardigde verblijft op dit moment om gezondheidsredenen in Parijs. Ook hij durft niet meer naar Tsjaad terug te keren.

    • Dirk Vlasblom