Taomeester Kristofer Schipper en de innerlijke geschriften; Er zijn geen heilige huisjes

'Er is een andere waarheid die buiten ons begripsvermogen staat.' Taoïsme, de Chinese mysterie-religie, wijst drie wegen naar die waarheid. Sinoloog en taomeester Kristofer Schipper vertaalde een van de tao-klassiekers: Zhuangzi, een boek over de broosheid van de menselijke kennis.

Zhuang Zi: De innerlijke geschriften. Uitg. Meulenhoff, vert. Kristofer Schipper, 165 blz. Prijs: ƒ 39,90

Thuis, in een Leids herenhuis, zit prof. dr. Kristofer Schipper achter een potje Chinese thee en een schaal met een grote berg kleine koekjes. Tegenover hem prikt een pendule op de schoorsteenmantel zware geluiden in de stilte. Schipper (63) woont er pas enkele maanden. Hij heeft veertig jaar in Parijs gewoond en gewerkt als sinoloog en antropoloog. Bijna vier jaar geleden kwam hij weer in Nederland werken, aan de Leidse universiteit, als opvolger van de internationaal vermaarde sinoloog Zürcher.

Deze week verscheen van Schipper de vertaling van De innerlijke geschriften (Zhuangzi) van Zhuang Zhou. Het boek stamt uit de tweede helft van de vierde eeuw voor Christus en is, samen met het Boek van de Weg en zijn Deugd (Daode jing) van Lao Zi een van de twee klassieke taoïstische geschriften.

Het taoïsme, doceert Schipper, is geen universele heilsreligie met een missie, maar een antieke, etnische mysterie-religie, op dat punt vergelijkbaar met het hindoeïsme of met de Japanse shinto. Het taoïsme spreekt van drie 'grotten', drie manieren om door te dringen in het mysterie dat ons naar het binnenste van de aarde brengt. De hoogste weg, die van de waarachtigheid, is die van de individuele praktijk: de meditatie, de circulatie van energie in het lichaam, het volgen van een dieet door bijvoorbeeld alleen vruchten te eten en dat een aantal jaren vol te houden. Dat is waar het boek Zhuangzi op aansluit: op allerlei manieren kan men de Tao bereiken, een slager even goed als een wagenmaker, iedere roeping is een weg tot persoonlijke verlossing.

De tweede grot is de liturgische organisatie, de kerk, de straat of wijk die zich om de tempel organiseert en net als in het protestantisme bestuurd wordt door de mensen zelf. Het priesterschap hiervoor van de taoïstische meester is erfelijk. Waar het in de eredienst om gaat, is het brengen van het schriftoffer, dat wordt verbrand. Het offer is geen voedsel, niet het substituut van een lichaam, maar het lichaam zoals het uitgedrukt is in de logos, het geschreven woord, het karakter. Schipper: “In den beginne was niet het woord, maar het geschreven karakter.”

De derde weg tot religieuze vorming is de verering van de heiligen, de volksreligie, zoals bij ons de bedevaarten, het carnaval, de aanroeping van heiligen. Deze heiligencultus, die je ook in Nederland in doorgaans ieder Chinees restaurant aantreft, wordt in China in stand gehouden door religieuze genootschappen. Ziedaar de 'drievoet van China'.

Schipper stuitte bij onderzoekswerk in Taiwan in de jaren zestig op een onbekende, levende taoïstische traditie en wilde daarvan alles weten. Omdat de taoïsten niet stonden te trappelen om hun ziel en zaligheid uit de doeken te doen voor een wetenschapper met taperecorder en fotocamera, ging Schipper bij een taoïstisch meester in de leer. Dat heeft hij zeven jaar volgehouden.

Katholieken hebben geestelijken die celibatair leven, protestanten hebben al of niet gehuwde voorgangers. In het taoïsme heb je beide: kloosterordes voor celibataire geestelijken en seculiere gemeenten die gezamenlijk een meester kiezen en deze onderhouden.

Wie meester wil worden, moet een gemeenschap zien te vinden die wil betalen voor jouw wijdingsfeest, de ordinatie. “De mensen moeten zin in je hebben.” Schipper betaalde zijn ordinatie deels zelf en deels kwamen er, voor het afsluitende ordinatiefeest bestaande uit een theatervoorstelling voor de stad, vrijwillige bijdragen uit de Taiwanese gemeenschap. “Op dat punt heb ik dus wel enige legitimiteit gehad”, zegt hij.

Steunend op deze ervaringen heeft Schipper op het Chinese vasteland veel onderzoek kunnen doen naar de sluimerende en vaak weer opflakkerende volksreligie die, zoals Schipper schreef in zijn in 1988 verschenen boek Tao. De levende religie van China, vanaf de tweede eeuw voor Christus altijd in oppositie heeft gestaan tot de officiële cultuur van het land: “Aan de ene kant de staat en zijn administratie, het officiële land dat zich beroept op de traditie van het 'confucianisme'. Aan de andere kant de structuren van het echte land die tot uitdrukking komen in de regionale culturen en in de onofficiële religie, die daar zijn eigen identiteit krijgt onder de naam taoïsme”.

Hoe kwam de wetenschapper er als jonge man toe om sinologie te gaan studeren? Schipper: “Ik kwam uit een intellectuele familie. Mijn moeder schreef christelijke kinderboeken, ze heeft in de oorlog ook een bijbel voor kinderen geschreven. Maar ik zag dat intellectuele leven niet zo zitten. Ik ben meteen na de middelbare school naar Parijs gegaan omdat ik in de kunsthandel wilde. In Nederland, werd mij gezegd, waren daar geen mogelijkheden voor. Ik had ook geen geld. Mijn ideaal was eigenlijk een stalletje te openen. Ik was wel heel gelukkig om uit Nederland weg te zijn.

“Ik was daar erg arm. Ik gaf les. Paste op. Deed zelfs het huishouden om te kunnen voortbestaan. En ik ben toen toch gaan studeren. Eerst aan meer onaanzienlijke instituten zoals de École du Louvre. En toen werd ik zo bevangen door de pracht van de Chinese kunst dat ik ook Chinees ben gaan studeren. Ik ben me gaan afvragen waar die kunst vandaan kwam. Na mijn studies sinologie en antropologie heb ik het grote geluk gehad dat ik een aanstelling heb gekregen aan het onderzoeksinstituut dat nog steeds bestaat, de École Française d'Extrême Orient, die mensen voor langere perioden uitstuurde naar het Verre Oosten.

“En terwijl iedereen met grote verwachtingen naar het Chinese vasteland ging, ben ik, eigenwijs, naar Taiwan gegaan. Ik had zowel sinologie als antropologie gestudeerd en dankzij mijn leermeesters had ik iets begrepen van het belang van de Chinese volksreligie, de cultus van heiligen. Op het vasteland was dat door de communisten volkomen weggestopt, maar in Taiwan was dat nog min of meer toegankelijk. Ik heb het geluk gehad dat de autoriteiten daar, nolens volens, mij in de gelegenheid hebben gesteld om daar zo lang te hebben mogen wonen.”

Het klassieke werk Zhuangzi (Het boek van Meester Zhuang), voor zover Schipper weet de eerste Nederlandse vertaling uit het origineel, is een boek over de beperkingen van de menselijke kennis. Op humoristische wijze laat de schrijver zien hoe broos die kennis is. De bodem onder de verhalen is de gedachte dat alleen de waarachtige mens spontaan is, dat wil zeggen zich openstelt voor de Tao, de weg waarlangs de eeuwige veranderingen zich voltrekken, de Tao van de natuur, die structureert en chaos maakt.

Schipper: “Naast mijn colleges over het taoïsme en de religie van China, het confucianisme en het boeddhisme, heb ik met mijn studenten altijd de klassieken gelezen, vooral de Zhuangzi, omdat dit filosofisch boek geschreven is vanuit een achtergrond van religieuze praktijken die tot de voorgeschiedenis van het huidige taoïsme behoren. Het is een typisch Chinees boek. Als je iets wilt weten over het geestelijke leven van China, dan is de Zhuangzi wel het meest aangewezen boek. Het heeft een gigantische invloed gehad op het taoïsme maar ook op het confucianisme en het boeddhisme, en op de schilderkunst en dichtkunst.

“De Zhuangzi is een boek vol humor, zonder vulgair te zijn. Het zit vol vrolijke, spitse opmerkingen. Het is religieus en toch anticonformistisch, iconoclastisch ook. Er zijn geen heilige huisjes. Er wordt de draak gestoken met Confucius maar ook met de taoïsten; tegen alles wat maar aanspraak zou kunnen maken op een zeker gezag of een zekere wereldse roem wordt hard ingegaan. Het is eindeloos ironisch. Het gaat er in dit boek om, onze concepten, ideeën, denkgewoonten en levensopvattingen in gruzelen te slaan. Het religieuze doel daarvan is het bewustzijn te openen voor het wonder, het irrationele, voor iets wat buiten het alledaagse is.

“Het taoïsme zegt: er is een andere waarheid die buiten ons begripsvermogen staat. En door de relativiteit van ons begrip te zien, kun je toegang krijgen tot die waarheid. Het is een methode die in het Verre Oosten een enorme invloed heeft gehad: door het bewustzijn op een hoger vlak te brengen wordt onze eigen logica omver gekegeld. Dan komt er een levensenergie vrij die je kunt uitdrukken in kunst en zang, in vrij en blij leven.

“Het taoïsme is een belangrijke rem op de wagen van de eeuwige vooruitgang. Vooruitgang is schitterend, maar als het werkelijk iets moet worden, moet je ook in staat zijn om het tegen te houden, anders wordt het een obsessie. Dan blijft de vooruitgang maar doordraaien en is het nooit genoeg. Als je weet dat je ideeën te groot zijn voor de mogelijkheden die je hebt en je gaat er toch mee door, dan is de boot pas echt aan. Je moet kunnen ophouden. Leren sterven. De Zhuangzi spreekt veel over de dood.”

Het taoïsme is in de jaren vijftig onder Mao officieel erkend als religie, samen met het boeddhisme, de islam, het protestantisme en het katholicisme. Maar van grote vrijheid om de religie ('feodaal bijgeloof') volgens eigen inzichten te belijden, buiten de officieel toegestane genootschappen om, is volgens Schipper nooit sprake geweest. Het aantal gelovigen in de officiële genootschappen is maar een zeer klein percentage van het werkelijk aantal gelovigen, zegt Schipper.

Hij ziet hier een parallel met de situatie in Nederland. Schipper: “Ook hier worden de geestelijke belangen van gelovigen vaak bepaald door de officiële kerkgenootschappen die uitmaken wat wel en niet tot het geloof behoort. Door mensen die religies meten volgens het zuilensysteem en daarmee niet genoeg rekening houden met de Nederlandse cultuur. De zeggenschap over wat er religieus aan de hand is, ligt in de handen van mensen die officieel geregistreerd staan. De anderen worden niet gehoord. Een katholieke universiteit wordt met geld van de overheid door de katholieke kerk bestuurd volgens principes van bisschoppen en hun groepje seminaristen. Uit wiens naam spreken de Nederlandse bisschoppen? Je zou willen dat andere katholieken die geen bisschop zijn en niet ingeschreven staan, zeggenschap krijgen over wat wel en niet geoorloofd is. Dat is een democratisch probleem.”

Zo ook in China. Begin jaren tachtig kwam onder Deng een liberalisatie op gang, een bloei van het taoïsme tot gevolg hebbende die na enkele jaren weer werd teruggedraaid. Religiositeit is goed, mits onder strikt toezicht van de communistische partij. Nog steeds, zegt Schipper, is de onderdrukking van de ongeorganiseerde, niet van bovenaf geleide religie heel sterk. Niet helemaal onbegrijpelijk gezien vanuit de marxistische machthebbers: “Als je het heft in handen wilt houden, moet je je niet al te liberaal opstellen tegenover religieuze avonturen. Als je kijkt in het marxistisch schoolboekje, dan zie je dat volgens Marx allerlei messianische en apocalyptische bewegingen uit de Middeleeuwen de voorlopers van de revolutie waren. In Nederland had je de mennonieten die de egalitaire samenleving nastreefden. Ook in China kun je als marxist in de geschiedenis allerlei boerenopstanden vinden die taoïstisch georiënteerd waren, strevend naar gelijkheid. Te beginnen in de eerste eeuw voor Christus met het boek van de openbaring van de grote gelijkheid, de Taiping Jing. Dat boek zou allerlei volksbewegingen hebben geïnspireerd die, inderdaad, dynastieën ten val hebben gebracht. Dus als goed marxist ben je toch beducht voor dat soort religiositeit.”

Er is, zegt Schipper, over de hele wereld een opleving van diffuse religiositeit, en ook China ontsnapt er niet aan. Er zijn in China allerlei bewegingen gaande buiten de controle van de partij. Als een van de belangrijke oplevingen van para-religieus gedrag noemt hij de opkomst, kort na de Culturele Revolutie, van yoga-praktijken zoals qigong: oefeningen in 'levensenergie' zoals mediteren, ademhalen, visualiseren en daardoor gezond worden. Het oude partijapparaat had aan het einde van de jaren zeventig graag zulke genezers om zich heen, ook al omdat uit wetenschappelijke proeven bewezen was dat deze qi, die ook een belangrijke rol speelt in de acupunctuur, een fysieke kracht is - en dus een materialistisch principe in de juiste marxistische zin van het woord.

Aldus werd deze van oorsprong taoïstische beweging toegestaan en dat was, aldus Schipper, de open deur voor allerhande vormen van taoïsme. Schipper noemt lessen van qigongmeesters in een met tienduizenden mensen gevuld stadion, die zeven uur lang in trance spreken en deze trance overdragen op de menigte. De massa begint in tongen te spreken, de toekomst te voorspellen en blinden te genezen. Het aantal officieel geregistreerde qigongaanhangers in China is ongeveer zeventig miljoen - “nog altijd een heleboel meer dan het aantal leden van de communistische partij”, zegt Schipper fijntjes.

Wat zijn, naar de mening van de taomeester en de zoon van een dorpsdominee, de overeenkomsten tussen taoïsme en christendom? Schipper: “Vergelijken van religies is mogelijk doordat begrippen als heilsverwachting, genade, onsterfelijkheid, gebed en offer in alle religies bestaan. Ik ben er dan ook van overtuigd dat vanaf de wording van de mensheid tot aan het neolithicum de mensheid één religie heeft gekend. Op dat punt is religie overal herkenbaar.

“Wat de vergelijking moeilijk maakt, is de definitie van religie. De Westerse religie en vooral het protestantisme is een heel specifieke vorm. In het Westen is religie een apart deel van het menselijk denken, het is iets ongewoons door het onderscheid, bijvoorbeeld gemaakt door de socioloog Durkheim, tussen het heilige en het profane. Het religieuze heeft dan te maken met het heilige. In China is dat niet zo. In grote delen van China is de religie nog altijd een onverbrekelijk stuk van de samenleving, niet een specifieke activiteit zoals in het Westen. Bij ons is de nadruk komen te liggen op het geloof. Maar religie is niet alleen maar geloof. Het is ook een liturgisch en ritueel systeem. De Chinese religie is meer een orthopraxis dan een orthodoxie. Het gaat erom wat je doet en niet om wat je denkt. Het is onze eigen Westerse definitie van religie die de universaliteit van religie in de weg staat.

“Toch lijkt het vak van dorpsdominee in Noord-Holland op dat van dorpstaoïst in China. Het behoren tot de geestelijkheid is hetzelfde. Je bent speciaal. Mensen beschouwen je als iemand die meer familiair is met het goddelijke en het geestelijke dan anderen. Je wordt geacht een wat onberispelijker levenswandel te hebben. En verder is de business van het religieuze overal hetzelfde. In het Westen zeggen we 'waar is mijn toga gebleven' of 'mijn befje is niet gewassen' of 'het kerststalletje is kapot, het kindje Jezus heeft zijn hoofd verloren'. In het taoïsme zijn het de altaarschoenen of de offergaven die nog niet in orde zijn. Je vindt het overal. Het leven achter de schermen van het religieuze theater is overal hetzelfde.”

Eens op een dag droomde ik, Zhuang Zhou, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat ze mij was. Plotseling werd ik wakker en begon me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Zhuang Zhou was. Nu is de vraag of ik Zhuang Zhou ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was. Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en die vlinder. Dat noemen we dan maar de Verandering der Dingen.''

    • Arjen Schreuder