Stippellijntjes

De herfst is het jaargetijde dat zijn eigen bewijsmateriaal voortbrengt, dode bladeren, klaar om door ijverige schoolkinderen te worden verzameld en op vellen papier geplakt. Nadat dit volbracht is hoef je nooit meer naar dode bladeren te kijken, tot je je eigen tuin krijgt.

Mijn tuin brengt er genoeg van voort om alle lagere scholen van Nederland van herfstbladeren te voorzien; we hebben alle kleuren, van heldergeel perenblad tot baksteenrode beuk, van leerbruine kastanje tot rood paardenhaar van de moerascypres, plus een respectabel scala van bladvormen: vijg, moerbei, ginkgo, fatsia. De laatste is uiteraard groenblijvend en kan het hele jaar door zijn blad verliezen, maar elk najaar is er tussen de oogst altijd wel één groot geel fatsiablad, opvallend als een chocoladereep temidden van chocoladehagelslag.

Niet alleen bomen maar ook planten zijn gewikkeld in een race om zich van hun bladeren te ontdoen, beginnend bij de eerste vorst. In de moestuin kun je de verschillende strategieën volgen: de rabarberbladeren gaan plat liggen en verrotten, terwijl courgettebladeren opdrogen tot spookvleugels, ze zouden licht moeten geven in het donker. De bladeren van de bessenstruiken zijn eenvoudig verdwenen, terwijl de snijbiet zich nergens wat van aantrekt, haar bladeren zijn onveranderd. Hetzelfde geldt voor de wintergroenten, andijvie en boerenkool. In onze beschutte stadstuin is het proces nog niet zo ver gevorderd en de bladeren van een flink aantal vaste planten zijn nog intact. De bomen langs de straat hebben hun blad al verloren maar in de tuin zijn ze nog ruimschoots voorzien.

Je zou kunnen denken dat het voor een boom verstandig is, zoals E. A. Bowles schrijft, om 's winters zijn blad te behouden, als bescherming. Maar, vervolgt hij, de boom zou dan op zo'n groot oppervlak het gewicht van een zware sneeuwval niet kunnen dragen. Ook zou hij een speelbal zijn van de wind; onze beuk zwiept en zwaait in een herfst- of voorjaarsstorm veel woester dan in de winter wanneer hij bladloos is. “Grootbladige groenblijvende planten komen uit landen met zachte winters. Laurier en aucuba hebben hier in strenge winters zwaar te lijden”, schrijft Bowles. De groenblijvende boom met de grootste bladeren in ons deel van Europa is de hulst, waarvan de takken een groot gewicht aan sneeuw kunnen dragen zonder te breken. In feite, aldus Bowles, “als je een stevige tak zoekt, die lang en dun is maar toch niet makkelijk afbreekt, kies dan hulst”. Hij gebruikte hulsttwijgen bij het verzamelen van rupsen, om mee op de takken te slaan zodat de bladetende rupsen in de verzamelbak vallen. Een mooi staaltje van de rechtvaardigheid in de overvloed der natuur: niet alleen maakt zij bladeren en rupsen beschikbaar, maar ook de stok om ze er af te slaan.

In de herfst bewerkstelligt een combinatie van minder uren daglicht en dalende temperaturen het verkleuren en afvallen der bladeren, de verkleuring is het spectaculairst in regionen waar de seizoenen duidelijk zijn afgebakend en weinig veranderlijk tijdens hun duur. Zo zorgen de mooie herfstdagen en het landklimaat van Nieuw Engeland voor veel spectaculairdere bladverkleuringen dan die in Europa.

De reden dat de bladeren verkleuren is dat het bladgroen dat zij bevatten uiteen begint te vallen en andere pigmenten vrijmaakt, anthocyaninen die rood en blauw, en carotenoïden die geel en paars zijn. Op sommige bladeren kun je het bladgroen soms in het niets zien verdwijnen: op de klimhortensia is het overal verdwenen behalve in de bladranden. De kleuren zijn afhankelijk van de hoeveelheid zonlicht die een boom krijgt; Acer japonicum is bekend om zijn 'schitterende herfsttooi' maar de mijne, die in vrij diepe schaduw staat, heeft zich nooit aan enige poging tot pronken gewaagd. In een artikel in The Garden (122.10, okt. 1997) zegt Anna Dourado dat Fothergilla monticola het beste voorbeeld levert van dit verschijnsel: “Bladeren in volle zon worden een teer rood, maar die in de schaduw brengen het niet verder dan bleekgeel”. Onze perenboom moet een speciaal geval zijn, want al zijn bladeren worden geel behalve op één plek, van ongeveer een vierkante meter, daar worden ze donkerrood.

Het stippellijntje dat aangeeft waar een blad van de moedertwijg zal loslaten is inderdaad bijna letterlijk een stippellijntje, een laag dode cellen die een tussenruimte vormen tussen het eind van de bladsteel en de twijg waar hij aan vastzat. Als dat eenmaal gevormd is kan het blad gemakkelijk loskomen (net als stippellijnen in de modelbouw, die laten ook gemakkelijk los): een zuchtje wind is voldoende. Zoniet dan bevriest bij de eerste vorst het vocht in de tussenruimte. Het blad blijft zitten zolang het ijs niet smelt. “Vandaar dat, zodra de lucht warmer wordt of zonlicht op de boom valt, de eerste vorstperiode vaak gevolgd wordt door het in één keer afvallen van een grote hoeveelheid blad, ook op een volmaakt windstille dag.” Bowles wijst er op dat de boom profijt heeft van de bladerdeken aan zijn voet, die op den duur in humus overgaat.

Stadsbomen hebben minder geluk. Op het ogenblik weerklinkt hier in de straten een razend lawaai, krankzinnig hard, veroorzaakt door het wegblazen van de afgevallen bladeren met een soort enorme föhn, om daarna te worden opgezogen door een gigantische stofzuiger: het bewijsmateriaal van de herfst wordt al bijna voor het de grond bereikt verwijderd. Geen hoop op romantisch door hopen afgevallen bladeren waden; de hopen die zich vormen doen dat onder de auto's, waar niemand er wat aan heeft. “Ik zou de bladeren weer aan de bomen willen hangen”, luidt een onvergetelijke dichtregel van Judith Herzberg. Dat blijft wat bewerkelijk, maar wat wel kan is bewaren tussen de bladzijden van een boek, of, zoals op de lagere school, geplakt op een vel papier.