OP ZOEK NAAR MYSTERIE VAN DE SPORT

Na drie succesvolle seizoenen bij het Belgische Oostende heeft basketbalcoach Ton Boot een jaar afstand genomen van zijn sport om zich op te laden voor een nieuw avontuur. “Jezelf niet ontwikkelen is hetzelfde als langzaam dood gaan.” Zoals de sport zelf als “de elite-cultuur” blijft domineren.

We staan voor zijn huis in Schoorl en praten over de zegeningen van een sabbatical year. Met een dromerige blik wijst Ton Boot naar het silhouet van de duinen. “Binnen drie minuten loop ik midden in de natuur en voed ik mijn creativiteit”, vertelt de 57-jarige basketbalcoach. “Een uurtje hardlopen en de wereld mag weer komen. Ik ben graag alleen en voor mij is het de ideale methode om mezelf geestelijk te reinigen. Andere mensen hebben niets en lopen vast. Ik zie coaches om me heen die al dertig jaar hetzelfde doen. Ik wil mezelf verfrissen om als een nieuw mens terug te keren. Jezelf niet ontwikkelen vind ik hetzelfde als langzaam dood gaan.”

Uiteraard zal Boot volgend seizoen terugkeren als coach, maar omzien is volgens hem als mijmeren over de Slag bij Nieuwpoort. “Ik kan nu eenmaal niet teren op het verleden.” Zinvoller is het door te dringen tot wat hem bindt aan een sport, waarin hij met de teams van Den Helder, Den Bosch en het Vlaamse Oostende ongekende successen heeft behaald. Maar omdat Boot voorziet dat hij zal sterven in het harnas gebruikt hij zijn jaar van bezinning om zich geestelijk te wapenen voor een ultieme ontdekkingsreis. Eens wil hij het mysterie van de sport ontsluieren.

“Na vijftien jaar heeft mijn functie als coach een andere dimensie gekregen”, vertelt hij. “Ik hoef me niet langer te verdiepen in de technische en tactische aspecten van het basketbal. Ik verbreed mijn blik door een cursus sportmanagement te volgen en door naar andere sporten te kijken. Steeds meer raak ik gefixeerd op de essentie van de sport. Ik probeer al mijn levenlang een geheim te ontrafelen. Ik stel dus niet langer het spel zelf centraal, maar de diepere betekenis daarvan en dat is voor mij die bijna mystieke grens tussen winst en verlies.”

Die grenzen waren bijna tastbaar in België, waar Boot in zijn eerste seizoen bij Oostende meteen de landstitel veroverde om vervolgens twee keer de nationale beker te winnen. Terwijl de Belgen vanavond tegen Ierland een plaats op het WK veilig moeten stellen om de teloorgang van de voetbalsport in België te maskeren, bloeien de zaalsporten. “België is een hiërarchisch gestructureerd land, waar alles draait om macht”, meent Boot. “Democratie? Nooit van gehoord. Het verschil tussen arm en rijk is in België veel groter dan bij ons.”

Boot trekt dan ook een parallel met Italië, “waar sportclubs ook het speeltje zijn van puissant rijke voorzitters. Je kon voorzien dat juist de sport in Italië het meest te lijden zou hebben van de vervolging van de mafia. Maar omdat geen enkele regering het ooit zal winnen van de mafia, is het ook niet vreemd dat juist Rusland na de val van het communisme sterker terugkomt dan ooit. Waar corruptie zegeviert, floreert de sport. Griekenland en Turkije zijn niet voor niets sterk opkomende sportnaties.”

In Nederland wordt de ontwikkeling van talent nog steeds geremd door wat Boot de “elite-cultuur” noemt. “En daar is niet doorheen te breken. Zowel in de politiek, in het bedrijfsleven als in de sport zie je dat eigenbelang prioriteit heeft. De maatschappij profiteert van de uitstraling van topsporters en hun prestaties, maar de regering neuzelt over een miljoentje meer of minder voor de sport. Joop Alberda moet namens het NOC*NSF leuren met zijn jeugdplan in de hoop twintig miljoen gulden los te weken bij de overheid.

“Ik pleit voor een apart ministerie voor sport met een begroting van 1 miljard gulden. Maar eerst moet iemand een partij oprichten die sport als hoofdthema neemt om de gevestigde, politieke partijen wakker te schudden. Helaas is Nederland het land waar het sluiten van compromissen tot wetenschap is verheven. De elite wordt bovendien verzwakt omdat uitvallers worden vervangen door nog zwakkere mensen om de macht van de leiders te blijven garanderen. Dat leidt tot vervlakking en decadentie.

“Een treffend voorbeeld is de manier waarop de sportkoepel NOC*NSF heeft gestemd over de voordracht van een tweede kandidaat voor het IOC-lidmaatschap. Het is op een zogenaamd democratische wijze geregeld, terwijl iedereen weet dat de afgevaardigden van de bonden helemaal niet letten op kwaliteit. Het is voor hen belangrijker dat iemand uit de eigen kring naar voren wordt geschoven. Een bond kiest per definitie voor een bestuurder. Hadden ze naar hun leden geluisterd, dan was de stemming heel anders verlopen.

“Het NOC*NSF doet goed werk, maar in dit geval is gekozen voor manipulatie om Huibregtsen in het IOC te krijgen. Want als ik de lofzang van het NOC*NSF hoor moet die man meteen minister-president worden. Maar is het niet vreemd dat juist Ard Schenk door het NOC*NSF twee keer tot chef-de-mission is benoemd? Dan heeft hij toch ook zijn bestuurlijke kwaliteiten bewezen? Ik kan me nog voorstellen dat je Schenk niet neemt als je een financieel deskundige zoekt. Maar voor dat baantje in het IOC heb je toch niet per definitie een topman van McKinsey nodig? Met die stupide procedure heeft NOC*NSF iedereen in de maling genomen en zijn tevens Schenk én Huibregtsen onnodig beschadigd.”

Boot heeft zichzelf voorgenomen in een door de commercie overwoekerde sportwereld zijn eigen oase te creëren. “Door me bewust van de buitenwereld af te sluiten. In een maatschappij waar het machtswoord boven kwaliteiten wordt gesteld staat het eigen ego centraal. Of het nu de steenrijke voorzitter is die zelf de opstelling wil bepalen of de vedette van een team die zich liever laat fêteren in het nachtleven. Ik paste me aan de heersende cultuur buiten het basketbal aan, maar in de sport ging ik mijn eigen weg.

“Op mijn terrein weiger ik me te conformeren. Wie zich conformeert, gaat in het uiterste geval als een kameleon door het leven. Ik weiger me aan te passen om mijn eigen identiteit te bewaken. Ik heb dus bij Oostende drie jaar lang conflicten gehad, want coachen is een politieke zaak geworden. Bijna elke coach manoeuvreert tegenwoordig tussen de belangen van de sponsor, het bestuur en het publiek. Mijn a-politieke gedrag stuitte in België op veel onbegrip. Iedereen vond me een rare vogel.

“Journalisten hadden weddenschappen afgesloten hoe lang ik bij Oostende zou blijven, variërend van twee tot vijf weken. Het is drie jaar geworden en dat was bij die club nog nooit voorgekomen. De eigenaar Van Moerkerke heeft wel eens drie trainers in een seizoen versleten. Essentieel was mijn geluk dat we wedstrijden wonnen in een periode dat ik de selectie van Oostende compleet heb moeten hervormen, want ik ben nooit vergeten waar een trainer uiteindelijk op wordt afgerekend.”

Hij ziet het nu gebeuren bij volleybalcoach Bert Goedkoop. “De roddels en achterklap komen altijd na de nederlaag. Tot het EK kon hem niets worden verweten. Nu krijgen clubcoaches de kans Goedkoop te slopen, terwijl hij zich niet kan verweren. Ik voorspel je dat Goedkoop er aan gaat. Hij kan zijn critici alleen de mond snoeren door te winnen en dat lukt nu niet. Maar ik dacht dat Goedkoop met het Nederlandse team pas in 2000 op de Spelen van Sydney hoefde te presteren. Die tijd zal hem dus niet worden gegund.”

Hoe heeft Boot zich al die jaren kunnen verweren tegen duistere machten? “Misschien moet ik wel terugkeren naar mijn vroegste jeugd om de oorzaak te vinden van mijn drang tot overleven. Maar ik kan je niet vertellen hoe mijn karakter zich heeft gevormd. Daar heb ik heus wel over nagedacht, toch blijft het speculeren. Ik heb al die tijd weten te winnen, dat is mijn redding geweest. Daarom heb ik waarschijnlijk geen gladde public relations nodig als Leo Beenhakker om me aan de top te handhaven. Mensen met een mooie babbel, die netwerken nodig hebben, deugen niet voor hun vak. Al klinkt het naïef wat ik zeg, want de wereld zit heel anders in elkaar dan ik zou willen.”

En vraag Boot dus ook niet of hij net als Don Leo aan “zijn laatste kunstje” begint. Zijn visie: “Ik kan gedijen in een structuur met perspectief. Die zie ik niet in Nederland, want de Nederlandse Basketbal Bond biedt geen perspectief. Ik heb de afgelopen tien jaar geen contact gehad met de NBB, ik weet niet eens wie de voorzitter is. Ik ken alleen directeur Peter Notten, een minkukel waar ik louter slechte ervaringen mee heb.

“Het is tekenend voor de malaise bij het bestuur dat het initiatief tot de vorming van een nieuw beleid voor het nationale team afkomstig is van één man, Charis Sideris. Hij heeft mij benaderd om bondscoach te worden, maar moet ik bondscoach worden bij een bond zonder visie en beleid? Ik juich het plan van Sideris toe, al zou ik prioriteit geven aan de jeugd. In een Jong Oranje voor basketballers van achttien, negentien jaar geloof ik niet, want dat is al een verloren generatie. De bond moet zich richten op kinderen van dertien, veertien jaar, zodat het Nederlandse team over acht jaar wel iets voorstelt.

“Bij een Nederlandse club zie ik mezelf ook niet zo snel terugkeren. Ik heb een hekel aan Den Bosch met zijn verschrikkelijke publiek, dat wedstrijden negatief beïnvloedt. Bij die ploeg wordt weinig én slecht getraind. In de Europa Cup verloren ze met vijftig punten verschil van Charleroi. Moet ik dat serieus nemen?”

Maar wat ambieert hij dan wel? In juni dit jaar bleef het al angstig stil rond Boot toen hij zijn vertrek bij Oostende aankondigde. “Toen bestond geen enkele belangstelling voor mij en dat vond ik wel een vreemde ervaring. Misschien moet ik wel concessies doen aan mezelf om een nieuwe baan te vinden”, zegt hij, hardop nadenkend, om die gedachte meteen weer te verwerpen. “Het klinkt elitair, maar ik heb mijn identiteit niet hoeven te veranderen. Maar als je moet bedelen om te overleven, kan de verleiding groot zijn je ziel geweld aan te doen.”

Al is dat niet de uitkomst van zijn innerlijk debat. “Telkens word ik geconfronteerd met mijn geweten in de wetenschap dat het gevormd is. Wie geboren is in Papua Nieuw-Guinea zal kannibalisme normaal vinden, die mens heeft geen last van zijn geweten als hij een ander mens verslindt. Ik ben een product van andere normen en waarden, maar ik weet dat ik in staat ben mijn geweten te vervormen. Het zou een fascinerend experiment zijn, want ben ik nu dan zo geloofwaardig? Ik klamp me vast aan de gedachte dat ik niet hunker naar erkenning. Ik hoef mezelf dus niet te veranderen, want ik heb het hoogste doel in het leven al bereikt. Ik heb mezelf leren waarderen.”