Nuis verzwijgt aanvulling op RIOD-rapport; Door zijn verraad zijn zeventig joden gedeporteerd

Na de verschijning van het proefschrift over de zaak Weinreb is staatssecretaris Aad Nuis blijven volhouden dat het RIOD-rapport dat in 1976 over deze fantast en oplichter verscheen, zeer partijdig was. Mede-opsteller A.J. van der Leeuw somt op wat Nuis weglaat.

In Trouw en NRC Handelsblad van 5 november is een artikel van Aad Nuis verschenen naar aanleiding van het proefschrift van Regina Grüter Een fantast schrijft geschiedenis.

Over mij en mr. Daan Giltay Veth, mijn inmiddels overleden collega enkameraad bij het Weinreb-onderzoek, dat ons in opdracht van twee ministers zesjaar, van 1970-1976, bezighield, schrijft Nuis, dat wij zeer partijdig te werk waren gegaan. Stelselmatig was - naar Nuis zegt te hebben vastgesteld - het slechtste gedacht van Weinreb en het beste van zijn tegenspelers, ook als die in andere zaken duidelijk onbetrouwbaar waren gebleken.

Ik meen dat ik deze bewering, vooral nu Giltay Veth zelf niet meer kan spreken, niet zonder antwoord kan laten. Het is daarbij niet mijn bedoeling opnieuw een uitvoerige discussie te beginnen over het geval Weinreb. Alleen enkele feiten, die de lezer moet kennen om Nuis' beweringen te kunnen beoordelen, wil ik hier mededelen.

Wat Nuis schrijft, is niet meer dan hetgeen hij ook in 1979 in zijn commentaar Het monster in de huiskamer op ons rapport heeft gebracht. Wat hij weglaat is, dat wij begin 1981 op een vraag van de Commissie voor de verzoekschriften van de Tweede Kamer in een 'Aanvulling op het Weinreb-rapport' (gedrukt in Tweede Kamer zitting 1980-1981, 12355, nr. 4) een reactie op Nuis' boekje hebben gegeven. Daarin hebben wij in dertig bladzijden uiteengezet waarom Nuis' beweringen alleen van belang zijn om zijn benadering van het geval-Weinreb te leren kennen en niet om tot een andere beoordeling van dat geval te komen dan wij in ons rapport gaven.

Uit onze reactie moge ik enkele korte passages citeren: “Niet minder dan zestien maal (in de paragrafen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 13, 15, 16, 17, 18 en 19 tweemaal) moesten wij vaststellen, dat Nuis de inhoud van het rapport onjuist heeft weergegeven. Hij bestrijdt niet dat rapport, maar een door hemzelf vervaardigde karikatuur daarvan. (blz. 56).

“Op vele punten konden wij ons dus beperken tot het rechtzetten van wat Nuis had scheefgetrokken. Niet zo gemakkelijk is de weerlegging van Nuis' algemene kritiek. Niet dat wij deze beter gefundeerd achten, integendeel. Maar als Nuis bijvoorbeeld stelt, dat wij 'onbeschaamd eenzijdig' zijn, dan heeft een verzekering onzerzijds, dat wij gestreefd hebben naar een zo objectief en evenwichtig mogelijk beeld nauwelijks overtuigingskracht: er is nu eenmaal geen korte feitelijke weerlegging mogelijk van dergelijke algemene niet-feitelijke kwalificaties. De lezer zal daarover zijn eigen oordeel moeten vormen op grond van het rapport en deze aanvulling.”

Wij gaven dan onder meer op de bladzijden 29/30, 31-33 en 51-52 enkele voorbeelden van tegen Weinreb gerichte verklaringen, bijvoorbeeld die van de getuigen Mulder en Van Dam, die wij als onvoldoende geloofwaardig hadden verworpen.

Voor de overtuigende bewijzen van Weinrebs verraad verwijs ik naar hoofdstuk 28 van het rapport en paragraaf 6 van de aanvulling. Uit die paragraaf citeer ik nog: “Nuis gaat aan de belangrijkste inhoud van dat hoofdstuk (28) eenvoudig voorbij. Wij kunnen de lezer daarom alleen raden dit hoofdstuk te lezen en naast Nuis' brochure te leggen. Hij zal dan evenals wij tot de conclusie moeten komen, dat Weinreb belangrijke diensten aan de Sicherheitspolizei heeft bewezen. In hoeverre zijn verraad ook in afzonderlijke gevallen is komen vast te staan, is een andere zaak. Wij menen blijkens het rapport, dat zulks in ongeveer de helft van de door ons onderzochte gevallen kan worden gezegd. In sommige daarvan is het bewijs op voor iedere onbevooroordeelde lezer duidelijke wijze onomstotelijk geleverd, in andere is het zonder twijfel minder sterk, maar ons inziens toch in voldoende mate aanwezig. Wanneer een lezer meent ons niet in elk van die afzonderlijke gevallen te kunnen volgen, zullen wij daar geen bezwaar tegen kunnen maken. Overtuiging is niet af te dwingen.”

Als gevolg van Weinrebs verraad - voornamelijk celspionage - zijn in de door ons bewezen geachte gevallen zeventig joden gedeporteerd en omgekomen. Daarnaast hebben tien gearresteerde joden de deportatie overleefd en hebben dertig niet-joodse helpers een verblijf variërend van enkele dagen tot circa 21 maanden in gevangenissen en kampen moeten doorstaan. Eén niet-joodse helper is in een kamp gestorven (rapport pagina 1589-1592, aanvulling pagina 52-53).

Zonder twijfel zijn deze verwijzingen naar onze teksten teleurstellend voor mensen als Lidwien Vork (NRC Handelsblad, 4 november). Heel begrijpelijk vragen zij naar een korte duidelijke uiteenzetting, maar zelfs de samenvatting van ons rapport telt nog eens vijftig bladzijden. Toch is het lezen van ten minste die samenvatting, van Nuis' twee publicaties en van de Aanvulling de enige methode om tot een algemeen beeld van de zaak te komen.

Ten slotte nog iets over Nuis' bewering, dat in de samenvatting van ons rapport niets zou zijn te vinden van onze negatieve opmerkingen over de justitie in het geval Weinreb. Hij gaat dan voorbij aan de pagina's 1602-1612 van onze samenvatting, die daar juist over gaan. Maar kennelijk bedoelt hij de pagina's 1612-1614, waar wij onze bevindingen over Weinreb nog eens heel kort hebben samengevat. Daar gaat het niet meer over het proces. Maar één bladzij terug vindt men, dat wij “weinig waardering hadden voor de behandelingdoor de Bijzondere Raad van Cassatie van deze zaak”. Dat leidde ons echter inhet geheel niet tot een lichter oordeel over Weinrebs' strafwaardigheid.

    • A.J. van der Leeuw