M.W. Schakel 1917-1997; Laatste der mannenbroeders

Maarten Willem Schakel, eergisteren op tachtigjarige leeftijd in zijn woonplaats Gorinchem overleden, was een oer-Hollandse en oer-gereformeerde politicus en bestuurder die weinig last heeft gehad van de kneuterigheid die zijn geloofsgroep wel eens kenmerkt.

Van een nijver leven mocht Schakel spreken. Na een opleiding tot onderwijzer (1935) - de universiteit was te duur - haalde hij naast zijn werk in een paar jaar tijd vijf actes. Na de oorlog was hij zeventien jaar lid van de Tweede Kamer (1964-'77 ARP, tot 1981 CDA) en bijna veertig jaar burgemeester (tien gemeenteraadsperiodes) op het platteland, in de streek - de Alblasserwaard - waaruit hij zelf afkomstig was en die zijn wereld bleef. Voorts: naast een groot gezin thuis (zes kinderen) kende hij een met de jaren groeiend aantal nevenfuncties.

Vijftien had hij er ooit, variërend van commissariaten bij de Nederlandse Middenstandsbank en Nedlloyd tot voorzitterschappen van de Federatie van Visserijverenigingen en de Vereniging voor Christelijk onderwijs aan schipperskinderen. Nog een (bijna-)record: ruim veertig keer finishte hij in de Vierdaagse van Nijmegen.

“Ik ben er trots op dat ik volksvertegenwoordiger ben. Ik vind het een eervol ambt”, zei hij ooit. En ook een woord van Abraham 'de Geweldige' Kuyper was aardig van toepassing: “De antirevolutionair wordt niet bij de chocoladeketel grootgebracht.”

Schakel, 1917 in Meerkerk geboren, was een conservatief man zonder omwegen, maar wel een met pretogen in het hoofd, zin voor betrekkelijkheid en begrip voor de noodzaak van het compromis in een land van minderheden. Een ernstige man met een vaak hoge gierende lach, begaafd spreker als parlementariër, nooit meer dan een spiekbriefje met een paar trefwoorden bij zich, in zijn tijd alom erkend als evenknie van politieke voordrachtskunstenaars als de CPN'er Marcus Bakker en de VVD'er Hans Wiegel. Ieder op zijn eigen manier, hier kloppen de clichés: aan Schakel kon je horen dat hij uit de Alblasserwaard kwam, dat hij tot de ARP behoorde, dat hij die partij zelf ook zag als beminde Gideonsbende en dat de Tale Kanaäns hem als vertegenwoordiger van de reformatorische kleine luyden zeer vertrouwd was.

Als verzetsman (Jan Snor) was Schakel vlak voor het einde van de oorlog op het nippertje uit de dodencel bevrijd. Hij had cross- en kraakwerk bedreven, aan sabotage gedaan (de spoorbrug bij Arkel opgeblazen) en een eigen Vrij-Nederlandgroep opgericht. Een broer verloor in het verzet het leven. Toch werd hij na de oorlog nooit lid van enige organisatie van ex-verzetsmensen. “Ik kan me dat van anderen wel voorstellen, ja. Ik heb het geluk gehad dat ik snel terechtwam in een bestuurlijke functie”, zei hij daarover.

Wat klopte, in 1946 werd hij, 29 jaar oud, de jongste burgemeester van Nederland in de dorpen Noordeloos, Hoornaar en Hoogblokland.

Lid van de Tweede Kamer werd hij pas op zijn 47ste, een leeftijd die van een Kamerlid vandaag haast een veteraan zou maken. Dat verschijnsel voorzag hij trouwens al in zijn boek De laatste der mannenbroeders (1982), waarin hij waarschuwde voor “grote onrust, verscherpte competitie en meer ellebogenwerk in de parlementaire colonne” en voor “het parlement als springplank voor jongeren op weg naar wat anders”.

Thema's waar hij zelf dichtbij stond besprak Schakel aan het Binnenhof: verkeer, visserij, waterstaat. En thema's die hij zelf afstofte en grijpbaar maakte, zoals de in zijn parlementaire jaren veelvuldige gemeentelijke herindelingen, waarover zijn discussiebijdragen geregeld het midden hielden tussen een historische verhandeling en een korte streekroman. Zij het dat hij belangen van zijn ARP daarbij niet vergat en een pleidooi om die ene wijk toch maar liever bij die andere gemeente in te delen zelden deed zonder alvast aan volgende raadsverkiezingen te denken.

Schakel heeft in terugblik vaak gezegd dat de wijze waarop het kabinet-Den Uyl in 1973 ontstond onbedoeld een grote stoot voor de latere CDA-vorming gegeven heeft. Hij was er in 1973, anders dan fractieleider W. Aantjes, tegen om groen licht te geven aan dat kabinet voorzover KVP en ARP slechts 'gedoogsteun' mochten geven en geen gelijkwaardigheid kregen. Dat is voor hem altijd een gevoelig punt gebleven, wat hem als oud-verzetsman niet belette om Aantjes bij te staan toen deze in 1978 de politiek moest verlaten omdat hij een deel van zijn oorlogsverleden bleek te hebben verzwegen.

In 1977 was Schakel het vierkant oneens met de kritiek van de uit de ARP afkomstige 'loyalisten' in de CDA-fractie op de vorming van het eerste kabinet-Van Agt ('77-'81). Voor velen was het twijfelachtig of zij dat kabinet wel de volle rit zouden laten uitzitten. Dat zag Schakel, terecht naar gebleken is, anders: zij zouden hun eigen politieke doodvonnis hebben getekend als zij een CDA-premier voortijdig hadden laten struikelen, wist hij. Hij zei het beeldend-losjes: “Ach, er zijn maar weinig mestkalkoenen die voor het vervroegen van Kerstmis stemmen.”