'Juridisering'

'GEKOOID BESTUUR'. Onder deze alarmkreet zijn bestuurders onder aanvoering van de Noord-Hollandse commissaris van de koningin Van Kemenade ten strijde getrokken tegen wat zij beschouwen als een fatale “juridisering” van het openbaar bestuur. Het is een wonder dat er nog belangrijke besluiten tot stand komen. Dwarsliggende rechters nemen plaats op de stoel van de bestuurder. “De bestuurskracht van ons land is in het geding.”

De verontruste bestuurders hebben nu zevenentwintig concrete voorstellen op tafel gelegd om de vermaledijde juridisering te beteugelen. De lijst leest als een aanklacht en laat er geen twijfel over bestaan waar de boosdoeners moeten worden gezocht: bij de wetgever met zijn onstuitbare vloed van regels en regeltjes en vooral de rechters die zich te zeer voor het karretje laten spannen van burgers die in het democratisch-bestuurlijke spel hun zin niet hebben gekregen.

Slechts terloops gewagen de bezorgde bestuurders van “de verzwakte juridische kwaliteitszorg” binnen hun eigen overheidsorganisaties. Alsof het bestuur niet zelf aan de juridische problemen bijdraagt, bijvoorbeeld door zelf voortdurend nieuwe vormen van zelfbinding te bedenken: toezeggingen, “indicatieve planning”, convenanten, gedoogsituaties. Dan kan men toch moeilijk verbaasd zijn wanneer burgers de bestuursorganen aan hun eigen woord houden.

“Iedere student met een stencilmachine” kan een stok in het wiel steken, heet het. Maar de als afschrikwekkend voorbeeld opgevoerde casus van de geplande Afrikahaven bij Amsterdam leert dat niet alleen de boze bewoners van Ruigoord verantwoordelijk zijn voor de inderdaad gekmakende opeenstapeling van procedures, maar ook overheidsorganen die er niet tegenop zien elkaar tot voor de rechter te bestrijden.

HET IS ZEKER een nuttig streven om verschillende procedures over dezelfde kwestie ineen te schuiven, zoals het rapport-Van Kemenade aanbeveelt. Het kan ook geen kwaad de bestuursrechter wat meer te binden aan tijdlimieten. Maar het kwaad van bestuurlijke tekortkomingen verdwijnt niet door ze met geld af te kopen, zoals het rapport wil. Een Rotterdamse evaluatie uit 1995 van de afhandeling van milieuvergunningen (van belang voor het imago van de havenstad bij het internationale bedrijfsleven) concludeerde dat de belangrijkste vertraging niet zozeer lag bij de Raad van State maar bij de eigen milieudienst.

De bestuursrechtspraak in zijn huidige opzet is betrekkelijk nieuw in Nederland. Het valt zeker niet uit te sluiten dat de nieuwe rechters wel eens doordraven. Maar de Raad van State heeft vorig jaar als hoogste rechter in het geval van een geschil over winkelcentra bij Venlo duidelijk een stokje gestoken voor intensivering van de rechterlijke controle. En in het geval van de omstreden Betuwelijn maakte dit college zonneklaar dat het er niet over denkt als rechter de democratische besluitvorming over te willen doen.

En de drugspanden en coffeeshops dan? Die hebben bestuurders zelf jarenlang op hun beloop gelaten. De burgemeester van Groningen haalde volop de publiciteit met zijn klacht dat hij een lastige coffeeshop niet mocht sluiten van de rechter omdat hij de eigenaar niet behoorlijk had gehoord. Alsof een bestuurder niet zelf kan bedenken dat hij een burger - lastig of niet - de kans moet geven zijn belang te bepleiten voordat hij hem zijn jarenlang gedoogde broodwinning ontneemt. Een analyse in opdracht van het departement van Binnenlandse Zaken liet trouwens zien dat de bestuursrechter zijn best doet het bestuur tegemoet te komen bij de aanscherping van het coffeeshopbeleid.

HET IS VOORAL een kwestie van vertrouwen tussen bestuur en rechter, constateerde minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) twee maanden geleden. “Dat is niet een probleem dat met juridische instrumenten kan worden opgelost.” De bewindsman zag de waslijst van Van Kemenade kennelijk al aankomen. Zijn wijze raad: laat de rechter gewoon zijn werk doen.

Een bestuurskundige had een wat meer pikante observatie: “Ik zie slechts goed gevulde zalen met bestuurders die zich over de rechterlijke toetsing zorgen maken. Een burger heb ik over dit probleem nog niet gehoord.” Waar klagen de bestuurders in deze democratische rechtsstaat (hun woorden) eigenlijk over?