Glasvezel-samizdat

HET INSTITUUT waar ik werk heeft geen bibliotheek. Niet nodig voor de wetenschap, zo vonden de amateurs die de dienst uitmaken in de bestuurlijke korsten waarmee de Universiteit is dichtgekoekt. Mijn vakgebied is de theoretische astrofysica, dus ik werk niet met instrumenten. In plaats daarvan parasiteer ik op de noeste arbeid van mijn waarnemende collegae, met behulp van een paar pond klieder tussen mijn oren en een paar honderd ton drukwerk tussen de kaften. U begrijpt dat ik blij was dat ik althans mijn hersens mocht behouden, maar toch voel ik mij alsof mijn ogen zijn uitgestoken.

Onze boeken en tijdschriften zijn niet allemaal vernietigd, maar deels opgeslagen in de bovenruimten van de scheikunde-bibliotheek, 361 meter gaans van mijn werkplek. Het opzoeken van een tekst betekent dus een pittig sprintje. Als ik niet vind wat ik zoek kan ik ophouden, want de elektronische catalogus is verre van compleet en geprogrammeerd door de Kaninefaten. Vind ik het wèl, dan kan ik helemaal terug naar mijn lab omdat de kopieermachines van Scheikunde tot een andere beheerseenheid behoren, dus accepteren ze mijn magneetkaart niet. Weer naar de overkant om het geschrift terug te plaatsen, en dan naar mijn kamer. Totale afstand, 1444 meter. Met zoveel lichaamsbeweging hoef je geen montigmaniak te zijn om slank te blijven.

Waarom moet dat? Tja. Het echte antwoord past niet in een krant die de nuance zoekt, maar een reden waarop bovengenoemde amateurs steeds terugkomen is dat boeken en tijdschriften zo duur zijn. Ze lijken gelijk te krijgen door de recente monsterfusies in het uitgeversbedrijf.

Er was ooit een tijd dat je niet publiceerde om de keuteltellers van de visitatiecommissies tevreden te stellen, maar om je collega's de loef af te steken, of althans je werk aan den volke te tonen. Het duurde even voor publiceren normaal werd. Leeuwenhoek publiceerde nooit iets, die schreef alleen maar brieven. Eerst kwam Galilei, wiens werk het midden houdt tussen een schotschrift en een populair-wetenschappelijk boek. Toen zwaardere boeken en pas veel later tijdschriften.

Je voltooit je onderzoek, schrijft het zo op dat de geschoolde lezer het kan begrijpen en desgewenst nadoen, en biedt het manuscript aan bij een vakblad. De redactie stuurt het naar een collega die anoniem beoordeelt of je werk redelijke kritiek kan doorstaan. Zo ja, dan wordt het gepubliceerd.

Het systeem werkt aardig, en zelden loop je tegen een proeflezer (referee) aan die dom of dief is, of te kwader trouw. De ergste gekken worden gestopt en vrijwel nooit wordt een genie gekrenkt.

Maar dan komt de kneep. Niet alleen krijg je geen cent voor je werk, maarmeestal moet je zelfs voor publicatie betalen. Dat kan oplopen tot honderden dollars per bladzijde. Tot overmaat van ramp ben je verplicht de rechten op de publicatie af te staan aan het tijdschrift. Zo ontaarden auteursrechten tot uitgeversrechten, en hebben wij academische sukkels onszelf geboeid en gekneveld uitgeleverd aan de gladjanussen van de commercie. Superuitgevers weten donders goed dat universiteiten op alle niveaus worden bestuurd door amateurs die geloven in fatsoen, die slikken wat ze voorgezet krijgen en hun bordje marktwerking braaf leegeten.

Wie zich verzet kan ervan lusten. Toen het American Institute ofPhysics (AIP) aantoonde dat de publicaties van een zekere uitgever veertig maal meer kostten (in citaties per dollar) dan die van AIP zelf, kreeg het een meute advocaten achter zich aan. Naar het Amerikaanse (on)recht kun je als winnaar de kosten van je verdediging niet op de wederpartij verhalen, dus zo'n proces kan je ondergang betekenen.

“Ken je de overeenkomst tusse de druif en de tuindersknecht?!!”

“Ikke niet...”

“Ze worde allebei gesnoeid, gekrent, uitgeperst en in de veiling genome.”

Zo werd mijn jeugdheld Polletje Piekhaar weer wat wijzer, maar de publicerende wetenschappers kennen blijkbaar hun klassieken niet.

En juist daarom krijg ik de lachstuipen van het geweeklaag om de industriële vraatzucht. Want wie schrijft, die blijft, ook in de wetenschap. Wij zijn het die de kopij leveren. De distributie is een lachertje: het leeuwendeel van al dat drukwerk gaat naar bibliotheken, waarvan we al weten waar ze zich bevinden en die afdoende hebben bewezen dat ze zich tot elke prijs laten koeioneren.

We schrijven met z'n allen het volgende briefje naar de baas van die papierhandel. “Geachte heer Boorman. Vanaf heden zullen onze medewerkers niet meer in uw Wereldtijdschriften publiceren, en zeggen onze bibliotheken hun abonnementen op. Deze maatregelen worden slechts herroepen als u, zonder verdere voorwaarden te stellen, terugkeert tot vaste prijzen, te weten die van 1980. Hierover kan niet worden onderhandeld. Hoogachtend.” We doen het dus voortaan zelf, en niet alleen in druk. Internet is er voor allen, en de snelheid van het licht is voor ieder gelijk. Met driehondderdduizend kilometer per seconde razen wij door het heelal, en laten het monopoliepapier verschroeid achter in ons kielzog. Tegen de kapitalistische terreur nemen wij dezelfde maatregelen als destijds tegen de communistische. Samizdat, zeiden de Russen. Sam-izdat, zelf-uitgeef, wordt nu Intersamizdat. Geen glasnost maar glasvezel leidt tot onze bevrijding.

Een wetenschappelijk boek is roetpasta op een gedroogd prakje dode bomen. Dat is al zo sinds Gutenberg, maar de tijden zijn veranderd. Uitgevers zijn overbodig, en als ons ijzeren aanbod wordt afgewezen kunnen wij willekeurig welk drukwerk op onze slofjes zelf maken. Dat kan dankzij TEX, een computertaal waarvoor Donald Knuth een speciale Nobelprijs verdient. Met die taal kun je wondermooi zetsel maken. 't Is dat deze krant gemaakt wordt met technieken uit de tijd vóór Clovis, anders zou ik u even een staaltje laten zien, van algebra via Chinees en spijkerschrift tot lineair-B. Plus de taal PostScript voor de illustraties, en klaar is Kees.

Het nadeel van zelf doen is dat elektronisch publiceren bergen bagger kan opleveren. Daarop zijn drie reacties mogelijk. Ten eerste: we laten het zo. Ten tweede: we doen wat mijn collega Bill McCrea ooit voorstelde, een idee dat Wilt Idema hier onafhankelijk lanceerde: iedere wetenschapper krijgt 15 bladzijden per jaar te vullen, punt uit. Ten derde: we laten iedereen inzenden wat-ie wil, maar delen het werk in naar geschatte betrouwbaarheid op een schaal van 1=best tot 10=mest.

De eerste mogelijkheid is zonde van de schijfruimte, geen mens heeft behoefte aan wetenschappelijke cyberporno. De tweede lijkt aantrekkelijk: terug naar de goeie ouwe tijd, toen het nog goud was wat er blonk op de bladzijden van The Astrophysical Journal en Zeitschrift der Physik.

't Is niet voor niets dat ik mijn studenten aanraad die oorspronkelijke meesterwerken te lezen: goed voor snotapen die denken dat ze modern moeten zijn en veel publiceren. Maar die tijd is voorbij, dus ik kies voor de derde weg: Alles wordt geplaatst, maar je werk krijgt een cijfer van twee proeflezers. Gemiddelde omhoog afronden naar het hele punt, en in het hok: 1 voor de Dirac-vergelijking, 10 voor het perpetuum mobile. Desgewenst kunnen wij de computer zelf laten bijhouden hoe vaak een artikel wordt geraadpleegd, en daaruit een extra rangorde afleiden.

Wat moet dat kosten? Laten we zeggen één hoofdredacteur, redacteuren voor theoretische en experimentele natuurkunde, idem astrofysica en, vooruit, nog twee elk voor wiskunde en scheikunde. Dan secretariële ondersteuning en behuizing, en uiteraard een systeembeheerder met assistent. Plus postje onvoorzien, maakt twee miljoen per jaar voor het produceren van twee dozijn tijdschriften en een paar honderd boeken te leveren aan 1500 bibliotheken wereldwijd.

Ik vlei me met de gedachte dat er vast wel een ondernemer is die dit leest, en die tien miljoen te investeren heeft. Dealtje maken?