Gezellig buurtje

Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. 112e jaargang, aflevering 3 1997. Uitgave van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap. Abonnementen ƒ 111,50 per jaar [excl. porto], losse nummers ƒ 30,-. Inlichtingen KNHG 070 - 314.0363.

'ZORG OM DE gemeenschap' en regelmatig grote braspartijen, dat is de rode draad die door de pre-moderne geschiedenis van de Utrechtse buurt De Snippevlucht (ruwweg het gebiedje rond de Stadhuisbrug) loopt. In het laatste nummer van Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (BMGN) schraapte historica Llewellyn Bogaers bijeen wat er over de geschiedenis van het Utrechtse buurtleven bekend is. Veelal wordt de meer recente buurtgeschiedenis onderzocht: arbeiderssolidariteit in volksbuurten, armoede. Maar hoe ging dat vroeger?

In de Middeleeuwen waren de buurten, vaak niet meer dan 40 huizen groot, zelfbesturende eenheden, met grote verantwoordelijkheid voor de openbare orde. Die traditie blijft lang bestaan, al neemt vanaf de zeventiende eeuw het centrale stadsbestuur steeds meer verantwoordelijkheden over. Een buurt vormde een dorpje op zichzelf, met gekozen 'buurtmeesters' en eigen schouten. Volgens het reglement van 1630 konden alle inwoners van de Snippevlucht 'buurschap' verwerven, maar de allerarmsten lieten die eer (met bijbehorende belastingen) meestal passeren. De meerderheid van de gezinshoofden was 'buur'. Huiseigenaren waren verplicht tot buurschap.

Bogaers' gegevens over de Snippevlucht stammen vooral uit de zeventiende eeuw, uit welke tijd het oudste buurtboek van Utrecht is overgebleven, met kasboek en een paar reglementen. Opmerkelijk is dat in de buurt mensen van verschillend geloof zonder enig probleem met elkaar samenleefden. Het buurtje had een zekere zelfstandige juridische bevoegdheid, maar vrijwel alle ruzies en conflicten worden 'onderhands' bijgelegd. Toen in 1533 een man slaande ruzie kreeg met de buurman van zijn broer (uit de Utrechtse Boterstraat), en de zaak zo uit de hand liep dat de stadsschout er bij moest komen, bagatelliseerden de vechtersbazen hun conflict: het was slechts 'scherts' geweest.

“Voor alles was men er op gericht de harmonie te handhaven”, schrijft Bogaers. Voor moderne ogen (en oren) werd daarbij verrassend zwaar getild aan schelden - al werden geweld en ontucht natuurlijk ook streng afgewezen. Een gewelddadige vrouw die haar buurvrouw voor 'schele en hoer' uitschold, werd in 1626 uiteindelijk door de stedelijke rechtbank uit haar buurt verbannen. Veel verzoeningen tussen buurtbewoners kwamen tot stand tijdens jaarlijkse gezamenlijke maaltijden: soms bleef een buurt drie dagen lang 'potverteren'. De 'pot' werd gevuld uit een belasting van 1 promille op de verkoopprijs van een huis, en allerlei verplichte 'giften' bij huwelijk en sterven. Ook waren er diverse boeteregelingen. Wie bij een begrafenis van een buurgenoot afwezig was kreeg volgens het reglement van 1630 een boete van drie stuivers.

Bogaers' onderzoek is een klassiek historisch onderzoek, dicht op het bronnenmateriaal en met behoedzaam gebruik van verklarende theorieën. Bogaers getuigt van de typisch geschiedkundige weerzin tegen 'abstracte' sociologische theorieën. Ze laat zich wel inspireren door sociologische theorieën over disciplinering, beschavingsoffensief en investeren van sociaal kapitaal, maar ze zet zich er tegelijkertijd tegen af - omdat deze volgens haar te veel een 'bewuste strategie' suggereren. Zo diep heeft kennelijk het harmonie-streven in de buurt indruk op haar gemaakt, dat Bogaers die gemoedelijkheid niet wil laten verstoren door 'conflicttheorieën', terwijl van enige afstand toch uit haar materiaal duidelijk is, dat al dat harmoniestreven juist noodzakelijk was om de vele (mogelijke) ruzies te dempen die het leven in de bocht van de Oude Gracht tot een hel zouden kunnen maken.

Op een curieuze manier wordt het gezellige beeld dat Bogaers schetst van het voorbije buurtleven weerspiegeld door de indruk die de Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden als geheel oproepen. Het kwartaaltijdschrift, al sinds 1837 in een of andere vorm het officiële orgaan van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap, stort een genoeglijke waterval van Nederlandse geschiedenis over de lezer uit. Naast drie of vier artikelen (een enkel 'dossiertje' daargelaten) worden per aflevering zo'n zestig recensies losgelaten: ongeveer 250 boekrecencies per jaargang! De BMGN stellen zich dan ook als enig Nederlands tijdschrift tot doel alle monografieën 'van enig belang' op het gebied van de geschiedenis van de Lage Landen zoveel mogelijk te beschrijven.

Een greep uit de gerecenseerde boeken uit het jongste nummer: een cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland, de geschiedenis van Westerwolde (Deel 5), de uitgave van de oudste stadsrekeningen van Dordrecht, katholieke bedevaarten in de 17de en 18de eeuw, beledigingszaken voor de Staatse Raad van Brabant in dezelfde periode, een Portugese preek uit 1640 tegen de Nederlanders, een Engelse reis van twee boekhandelaren uit 1772, criminele kinderen in de 19de eeuw, het Shell-gebouw van J.J.P. Oud, en heel veel 'gedenkboeken': 100 jaar film in Leiden, anderhalve eeuw Gelderse landbouw, 100 jaar radiodiagnostiek in Nederland, 100 jaar beeldvorming over arbeid, 100 jaar katholieke Nederlandse boeren- en tuindersbond, 75 jaar omroep, 50 jaar Hervormd Nederland.

Vriendelijkheid en geïnformeerdheid overheersen in de toon van de recensies. De veelal beschrijvende recensies zijn kort en bondig geschreven, zonder al te veel vakmatige zeurderijen. Natuurlijk is er ook kritiek. Een Festschrift zonder enige samenhang in de artikelen wordt keurig op dat falen gewezen. Een biograaf van Willem van Oranje (K.W. Swart) krijgt het verwijt 'oubollige oudemannenpraat' te verkopen. Maar overheersend zijn woorden als 'aantrekkelijk', 'verheugend', 'belangrijk', 'evenwichtig' en 'verdienste'. De lijst achterin met de thuisadressen van de recensenten voltooit het beeld van huiselijkheid en negentiende-eeuwse volledigheid.