Gehecht aan het ouderlijk huis

Het is dat ik net een boek heb geschreven over jongeren en daarvoor veel onderzoeksliteratuur heb moeten lezen, anders zou ik erg zijn geschrokken van de uitspraak van studentenpsychologen aan diverse universiteiten over de toenemende psychologische problemen onder studenten. Hun indruk - op grond van praktijkervaring met een kleine minderheid - wordt namelijk in de systematisch gevonden gegevens omtrent de overgrote meerderheid niet weerspiegeld.

Een citaat uit Het Parool: “In Groningen heeft 12 procent van de 450 aangemelde cliënten van psycholoog T. Boekhorst problemen met ouders. Veel studenten kampen met losmakingsproblematiek (het verlaten van het ouderlijk huis) en jeugdtrauma's. Opvallend is volgens de psychologen de psychische last die wordt veroorzaakt door het scheiden van ouders. Ruzies over alimentatie leiden tot stress over de ouderbijdrage. Het verdelen van de aandacht over ouders op twee aparte adressen kost studenten tijd, die ze door de verkorte studietijd niet hebben. Het aantal aanmeldingen in Groningen is in vijf jaar met 25 procent gestegen.” Met angst-, slaap- en concentratiestoornissen als gevolg, wat weer een ramp is met het oog op de studiefinanciering.

Hoe treurig het ook met de desbetreffende studenten is gesteld, is hier reden tot algemene ongerustheid? Die stijging met 25 procent is natuurlijk niet mis, maar wat zegt dit percentage eigenlijk? Groningen heeft zo'n 18.000 studenten. Als er nu jaarlijks 450 voor hulp naar de studentenpsycholoog gaan, is dat 2,5 procent. Dat is aanzienlijk minder dan de ongeveer 10 procent van welke groep dan ook die in allerlei onderzoek naar voren komt als hebbende enigerlei problematiek, of het nu om baby's, kleuters, adolescenten, vijftigers of bejaarden gaat.

Nogmaals, voor degenen die het aangaat is het soms grote ellende, en er moet zeker hulp worden geboden, maar in tegenstelling tot wat wordt gesuggereerd zegt het over 'de' student niets. De doorsnee jongere kampt blijkens onderzoek niet met losmakingsproblemen.

Het traditionele beeld van de adolescent die zijn of haar vrijheid op de ouders moet bevechten en daarvoor het ouderlijke nest zowel emotioneel als lijfelijk moet verlaten, ijlt weliswaar nog wat na, maar het heeft weinig meer met de werkelijkheid van doen. Het gezin heeft ook in dit opzicht - in woorden van het onlangs uitgebrachte 'Gezinsrapport' van het Sociaal en Cultureel Planbureau - een “moderniseringsproces” ondergaan. In de meerderheid van de gezinnen is sprake van een vanaf een jaar of veertien geleidelijk toenemende autonomie van de kinderen, die ermee eindigt dat de jongeren niet eens meer het huis uit hoeven om zich 'vrij' te voelen. Zij wonen - etend van twee walletjes, want het is goedkoop en ook wel gezellig - thuis op kamers. Het veelzeggendste citaat in dit verband is uit het rapport Jongeren op de drempel van de jaren negentig: “De tevredenheid bij jongeren met het verblijf in het ouderlijk huis is bijna algemeen en de enigermate stijgende leeftijd van uit huis gaan lijkt niet alleen op het huurkamertekort, maar ook op de aantrekkingskracht van het ouderlijk milieu te berusten.”

In tegenstelling tot wat nogal eens wordt gedacht, is echtscheiding van de ouders ook een emotionele belasting als die pas plaats vindt wanneer de kinderen al bijna volwassen zijn. En als de ouders uit elkaar gaan als de kinderen nog jong zijn kan daar in de adolescentie een terugslag op komen.

In de literatuur worden voor deze terugslag twee verklaringen gegeven. De ene heeft te maken met de verstoring van de geleidelijkheid van het losmakingsproces door het uit huis gaan van de ene ouder - meestal de vader. Ten aanzien van de moeder die in het gezin blijft, kan de jongere zich schuldig gaan voelen als hij of zij meer en meer een eigen leven wil gaan leiden.

De andere oorzaak betreft het gegeven dat jongeren bezig zijn met het aftasten van intieme en seksuele relaties en het negatieve ouderlijke voorbeeld moeten zien in te passen in hun eigen verlangen naar een ander. De meerderheid lukt dat wel, maar voor toch al kwetsbare jongeren, zoals die in de “10 procent” zijn te vinden is het een extra belasting. De praktische problemen met alimentatie en het bezoek aan twee adressen lijken een aandoenlijke manier om hun veel wezenlijker emotionele machteloosheid onder woorden te brengen.

Als de studentenpsychologen verwachten dat “een beurzenstelsel met een hogere ouderlijke bijdrage deze trend zal verergeren” zal dit dan ook alleen voor de kleine probleemgroep opgaan. Dat een meerderheid van ouders en studenten tegen de voorstellen van de commissie-Hermans protesteert, heeft volgens mij weinig te maken met een bedreiging van de onafhankelijkheid. Die hebben ze al lang, ook al zijn ze nog thuis in de kost en betalen vader en moeder hun rijlessen. Dus daar kan dat eventuele studiegeld ook nog wel bij, voor wie het kan betalen. En als men het dan toch over afhankelijkheid heeft zou men zich kunnen afvragen of die ten aanzien van ouders niet een groter appèl zou doen op verantwoordelijkheidsgevoel, omdat hij tastbaarder en aanwijsbaarder is dan de anonieme afhankelijkheid van de gemeenschap, die slechts tot een schijn-autonomie leidt.

Ik denk dat het studentenprotest tegen de eigen bijdrage bij de meerderheid eerder wordt ingegeven door gehechtheid aan hun ouders, die zij een kostenpost willen besparen.