GEEN NEUROLOGEN IN DE KLAS!

KORT NA DE GEBOORTE neemt bij mensen het aantal verbindingen tussen miljarden hersencellen sterk toe en dat aantal synapsen blijft op recordhoogte tot het tiende levensjaar. Daarna neemt dat aantal alleen maar af. Verbindingen die in deze kindertijd veel gebruikt worden, worden versterkt, de andere worden gesnoeid - zo leert ons het recente neurologische onderzoek.

Interessante feiten, maar hoe relevant is dit voor het dagelijks leven? Zeer relevant, vinden de laatste tijd steeds meer onderwijskundigen, docenten en ouders in de Verenigde Staten. In krantenartikelen, boeken en (semi-)overheidsrapporten wordt de laatste jaren op grond van deze feiten steeds sterker benadrukt dat het onderwijs in talen, wiskunde, muziek, logica, in alles eigenlijk, niet vroeg genoeg kan beginnen. Kinderen moeten zo vroeg mogelijk zo veel mogelijk leren - anders wordt deze cruciale neurologische window of opportunity gemist. Als te laat wordt begonnen is de bedrading in het brein van de kinderen al helemaal aangelegd - waarschuwen onder meer het Carnegie Task Force Report 'Years of Promise' (1996) en het rapport Building knowledge for a nation of learners (1996) van het federale ministerie van onderwijs.

Maar hoe verantwoord is deze connectie tussen de microscopisch kleine wereld van synapsen en de ingewikkelde macro-wereld van het klaslokaal? Niet erg verantwoord, in feite slaat het nergens op, zo is het oordeel van John T. Bruer, in het uitgebreide artikel Education and the brain: a bridge too far, in het novembernummer van Educational Researcher. Bruer is voorzitter van de James S. McDonnell Foundation, een organisatie die gedrags- en biomedisch onderzoek financiert dat verband houdt met onderwijsvernieuwingen.

We weten nog maar bar weinig over onze hersencellen. De meeste kennis over de toename en het 'snoeien' van de verbindingen tussen zenuwcellen is afkomstig van onderzoek van ratten en apen. En die resultaten laten zich niet als vanzelfsprekend overplanten op de homo sapiens. Rhesusapen bereiken hun synaptische maximum twee tot vier maanden na de geboorte, en die piek schijnt voor alle hersengebieden ongeveer op het zelfde moment te komen. Daarna neemt het aantal verbindingen tussen hersencellen af tot in het derde levensjaar de volwassen leeftijd wordt bereikt en de 'bedrading' compleet is. Van mensen is echter bekend dat de piek in het aantal connecties per hersendeel op een ander tijdstip in de ontwikkeling kan vallen. Het visuele gedeelte van de hersenen heeft een piek van het aantal synapsen per 100 mm hersenen rond de acht tot tien maanden waarna het snoeien een aanvang neemt tot ongeveer het tiende levensjaar. Maar in de frontale hersenschors, waarin men de cognitieve processen van planning en integratie vermoedt, lijkt pas rond het zestiende jaar stabilisatie van het aantal verbindingen tussen hersencellen op te treden. Niettemin constateert Bruer dat het Rhesusaap-window of opportunity om te leren zelfs in onderwijsrapporten van de overheid opduikt.

En zelfs al zouden we precies weten hoe de synaptische ontwikkeling van de hersenen van een mensenkind verloopt, dan nog weten we weinig wat van belang is voor het onderwijs, zo zet Bruer uiteen. Want er moge een verband zijn met het ontstaan van capaciteiten en vaardigheden, veel van deze vaardigheden blijven groeien ook nadat het verval en de stabilisatie van het aantal verbindingen tussen hersencellen een feit is. Kennelijk is er meer aan de hand. En daarbij komt dat de zintuigelijke en motorische vaardigheden waarvoor het verband met synaptische groei en afbraak is gelegd, geen schoolvakken vormen. Het zijn vermogens die ieder normaal kind in vrijwel iedere omgeving opdoet - of dat nou een afbraakbuurt is, een directeurswoning of de Kalahari woestijn. Alleen kinderen die in een isoleercel opgroeien raken ernstig in de problemen, aldus Bruer. En kinderen die bijvoorbeeld door een oorontsteking doof worden zonder dat iemand het in de gaten heeft.

Bruer pleit voor meer onderwijskundige aandacht voor cognitief-psychologisch onderzoek, dat zich op een niveau hoger in de hersenpan richt: leer- en denkstrategieën. Hij geeft het voorbeeld van het rekenonderwijs. Net als veel dieren hebben kleine kinderen een soort aangeboren besef van hoeveelheid waaruit ze langzaam een gevoel voor de opeenvolging van getallennamen en simpele 'rekentrucjes' ontwikkelen. Dat besef is de basis voor succes bij het latere formele rekenonderwijs. Onderwijsmethoden die bij kinderen met rekenproblemen juist die 'primitieve' vaardigheden versterken, blijken veel meer succes te scoren dan traditionele methoden. Dat vervolgens neurologen vaststellen dat er bij die denkprocessen verschillende hersengedeelten opflakkeren bij hersenscans is voor de onderwijzers aanzienlijk minder relevant.

Het artikel van John T. Bruer, inclusief alle verwijzingen, is te vinden op internet: http://www.jsmf.org/edain.htm