Deja vu

Eind jaren zeventig werden de overdekte ijsvloeren hier te lande bevolkt door Canadezen wier vaders of grootvaders in Nederland waren geboren. Ze hadden in het land waar ijshockey de populairste sport is, van jong af geleerd te schaatsen met een stick in de hand. Als echte kerels konden ze tegen een stootje.

Ze waren al als peuter voorbereid op de snelste en hardste teamsport ter wereld. Wie wilde overleven in het ijshockey diende van zich af te slaan. Vooral dankzij de zonen van Nederlandse emigranten kende ijshockey in Nederland hoogtijdagen. Heerenveen was het bolwerk. Dankzij de broers Feenstra verrees een team, de Flyers, dat bijna tot de top van Europa behoorde. In het oude Thialf kon het spoken wanneer Jan Janssen, Larry van Wieren, Jack de Heer, Leo Koopmans en Brian de Bruin op het ijs kwamen. Ze vormden met onder meer de Tilburgers George Peternousek en doelman Gerrie Göbel en de Amsterdammers Corky de Graauw, Ron Berteling, Henk Hille en William Klooster het Nederlands team. In 1978 werden ze wereldkampioen van de C-poule en een jaar later van de B-poule. Tussen de grote naties was Nederland op de Winterspelen van 1980 en op het WK in de A-poule in 1981 kansloos. Nu is Nederland weer een klein ijshockeyland. In Heerenveen denken ze met weemoed terug aan de opwindende acties van De Heer en Van Wieren, jongens die hun mannetje stonden.