Bosbrand in Yellowstone Park leidt tot erosie

Van de talrijke Nationale Parken in de Verenigde Staten behoort Yellowstone Park zeker tot de bekendste. Ook in dit park is, sinds enkele jaren, de regel van kracht dat de natuur zoveel mogelijk z'n beloop moet hebben. Er wordt daarom, behalve in speciale gevallen, niet meer met man en macht tegen bosbranden opgetreden. De talrijke bosbranden die van nature optreden gewoonlijk als gevolg van blikseminslag) hebben daarom veel grotere gevolgen dan vroeger.

In het Journal of Sedimentary Research A67 brengen twee geologen verslag uit van hun onderzoek naar een brand die al in 1988 was opgetreden. Ze onderzochten in het bijzonder de processen op hellingen in het door de brand geteisterde gebied. Deze hellingen lagen in een glaciaal dal met steile wanden. Aan de voet daarvan hadden zich puinwaaiers ontwikkeld, gevormd door grotere en kleinere stenen die van de hellingen waren afgevallen en vaak ook door stroompjes waren aangevoerd. Deze puinhellingen groeien slechts langzaam aan en zijn daarom in het algemeen vrij dun; eronder ligt het vaste gesteente. In de dunne laag van los materiaal ontwikkelt zich langzaam een bodem.

Het blijkt dat vooral deze puinhellingen als gevolg van de brand sterk geërodeerd zijn. Dat is niet zozeer een gevolg van het afbranden van de aanwezige bomen - op de meeste plaatsen bleven metershoge, zwartgeblakerde, stompen achter - als wel van het volledig afbranden van de tussenbegroeiing. De regen kreeg daarom vat op de bodem, die kennelijk ook niet langer door de wortels van de afgestorven vegetatie werd beschermd. Het bleek dat het vrijkomende materiaal betrekkelijk zelden door een stroompje van regenwater werd meegevoerd. Veel vaker trad zogeheten massatransport op: een met water verzadigde massa begon, na het overschrijden van bepaalde kritische waarden, naar beneden te glijden als een brij van water, stenen, slib, humus en as. Vervolgens werden onderliggende pakketten meegesleurd; het totaal kwam pas tot rust als de helling te gering werd voor de massa om de wrijving met de bodem nog langer te overwinnen. Daarbij speelde vaak een rol dat het materiaal tijdens het transport vaak een deel van het water 'verloor'. De meest vaste massa bleef dan achter, terwijl een steeds wateriger brij verder omlaag stroomde totdat uiteindelijk een fase werd bereikt van een waterstroom met veel, en later minder meegevoerde deeltjes.

Het blijkt dat bij deze processen grote volumes, soms wel meer dan 10.000 kubieke meter, afgleden, daarbij grote gebieden vrijwel geheel ontdoend van hun bodem. Omdat bodemvorming erg traag gaat, is het de verwachting dat de erosie in de loop der jaren verder zal voortschrijden. Zo zou een vicieuze cirkel kunnen ontstaan van erosie en massatransport. Zo'n vooruitzicht kan stroken met pogingen Yellowstone Park een natuurlijker aanzicht te geven. Maar gezien de gevolgen zal wel een discussie ontstaan over de vraag of grote bosbranden niet beter binnen de perken moeten worden gehouden

    • A.J. van Loon