Aan de deur

Een tramhalte in Amsterdam, Magna Plaza, waar vroeger het hoofdpostkantoor was, het gebouw dat door veel toeristen voor het koninklijk paleis wordt aangezien. Het is een mooie najaarsochtend, een uur of half elf. Daar staan een moeder van een jaar of 35 en haar dochter die nog niet naar school hoeft.

Aan alles is te zien dat ze tot het welvarende volksdeel horen. Op het bankje van de abri zit een man die iets stokouds heeft, hoewel hij niet ouder is dan dertig. Hij zit kromgebogen, houdt het vlammetje van zijn aansteker onder een langwerpig stukje zilverpapier en begint aan het secure werkje dat hem zijn levensgeluk zal teruggeven. Het kleine meisje vindt het interessant.

“Mam, wat doet die man?”

De moeder kijkt een seconde om. “Dat is een junk”, zegt ze kortaf.

Lijn vijf rijdt voor en moeder en dochter stappen in. Het is hun tram die naar veiliger oorden gaat. Ik denk aan het kind dat aan de junk denkt.

Je jeugd, ieders jeugd is bevolkt met interessante figuranten. Als het meisje zeventig is, zal ze zich herinneren dat ze met haar moeder op de tramhalte stond en een junk zag. Het is een variant op een verhaal van Nabokov, die met een vriend een café binnenkomt en daar een kleine jongen ziet die in de rokerige ruimte aandachtig naar twee biljarters kijkt. Hij blijft staan. Zijn vriend zegt: Waar kijk je naar. Nabokov: Ik kijk naar een beeld dat iemand zich over een halve eeuw zal herinneren.

In New York was de president van China op bezoek. We zaten daar te praten over deze staatsman en de Chinezen in het algemeen, en toen vroeg de jongste aan tafel plotseling: “Wat is eigenlijk een pindachinees?”

Een figurant uit mijn jeugd. Met 'pindachinees' werd niets minachtends bedoeld, vertelde ik. Hij was iemand uit China die, zoals dat toen heette, naar Nederland was gekomen om zijn geluk te beproeven. Hij 'kwam langs de deur'. Hij was klein, had een pet op en weinig tanden, wat je zag als hij glimlachte. Mannen van hetzelfde soort, zelfde pet, stonden op foto's in de krant: vluchtelingen uit Nanking of Sjanghai. Deze belde aan. Hij stond op de drempel van het huis waar ik woonde. Aan een leren band op zijn nek droeg hij een langwerpige glanzende blikken trommel met kleine deukjes. Hij glimlachte, boog en opende de trommel. Ik zag zijn voorraad pindablokken. Dat zag er niet lekker uit. Ik had medelijden met hem om het niet-lekkere waarvan hij dacht dat het lekker was en waarmee hij zijn geld moest verdienen. Twee keer per week kwam hij aan de deur vergeefs zijn geluk beproeven. Ik geneerde me omdat ik als kleine jongen nee moest schudden tegen de kleine oude Chinees. Dat was de 'pindachinees'.

Om de haverklap werd er destijds aangebeld. De melkboer. Er waren er twee, allebei met een handkar waarop voor en achter een grote, koperen ketel vol melk. Aan de onderkant zat een interessant koperen kraantje. De ene melkboer had een gemuilkorfde trekhond onder zijn kar; de andere deed het zonder. De trekhond hoorde tot de dier-figuranten: een groot, bruin, gevaarlijk uitziend beest met kale plekken waar het tuig over zijn vacht schuurde. Mijn moeder kocht bij de hondloze melkboer; liever was ik klant van de hond geweest.

De groenteman, met paard en wagen. Ik mocht het paard voeren met een worteltje, maar voorzichtig: je hand plat houden! Dat was te begrijpen. Geweldige paardenlippen pakten het worteltje uit je hand terwijl uit geweldige neusgaten de paardenadem in je palm woei. Achter de lippen zag ik de grote, gele tanden, en verderop, onzichtbaar achter de paardenkaken hoorde ik het worteltje wegkraken. Dat had je vinger kunnen zijn als je je hand niet plat had gehouden. Ook door zijn paard had de groenteman een identiteit die er uitsprong.

Het paard van de groenteman zag er gezond uit; dat van de schillenboer was een schonkig dier en de last die het trok, leek een bruin, kronkelig gebergte. De laatste tijd denk ik weer meer aan de schillenboer, als op vuilnisophaaldag de doorzichtige zakjes GFT (GroenteFruitTuinafval) op het trottoir staan. Je ziet waar veel sinaasappels zijn uitgeperst, waar men liefhebber van kip is, enz. Zo bekeken is de dwang tot het scheiden van het afval een schending van de privacy. Nu ik het tableau de la troupe van de figuranten du temps perdu overzie, ontdek ik dat de schillenboer een naamloze, een gezichtsloze is gebleven.

Heel anders was het met de orgelmannetjes: vrolijke, ongeschoren zwervertjes wier muziek uit een Italiaans orgeltje op wielen kwam. Het was melodieus getingel uit een zwart kastje, versierd met een geschilderde voorstelling, een dorp bij zonsop- of -ondergang, aan het Lago Maggiore of Bolzano. Werkelijk: voor een kind prachtige muziek. Ik wens iedereen een orgelmannetje toe.

Er kwamen er nog veel meer aan de deur, maar je kunt niet aan de gang blijven. Eén nog: de meneer met garen en band. Hij was de enige heer in het grote gezelschap, zag er althans zo uit: een man met een pak, vest, das en een hoed op. Hij had een koffertje bij zich. Nadat hij had aangebeld, knielde hij voor de deur en opende zijn koffertje met de collectie garen en band, scharen, tandpasta, scheerzeep. Een knielende heer, met alles wat niemand nodig had. Als hij weer stond en zijn koffertje had gesloten, had hij minister kunnen zijn.

Van dit hele figurantengezelschap is niets meer over. Ik schrijf het op, zonder heimwee of melancholie. Ik stel alleen vast dat het is vervangen door anderen, zoals degene die het kleine meisje op de tramhalte zich veel later zal herinneren.

    • S. Montag