Zwolle bracht juweeltjes van schilderkunst voort

Tentoonstelling: Zwolle in de Gouden Eeuw. Stedelijk Museum Zwolle. Tot en met 30 november. Open: di-za 10-17u, zo 13-17u. Catalogus ƒ 45,-. Telefoon (038) 421 46 50.

Het was niet alles goud wat er blonk in de 17de eeuw. De Nederlandse cultuur bracht niet alleen staatslieden, krijgslieden, denkers, schilders en architecten van de eerste orde voort, maar ook van het tweede en derde garnituur. Die ontmoet men buiten de vakliteratuur maar zelden, maar toch hebben ook zij het gezicht van de Gouden Eeuw bepaald. De laatste jaren hebben verschillende stedelijke musea hun 17de-eeuwse schilders voor het voetlicht gehaald, zoals Rotterdam, Schiedam, Groningen en nu Zwolle. Dat zijn interessante tentoonstellingen omdat men zich realiseert dat naast de belangrijkste schildersteden Amsterdam, Haarlem, Delft, Utrecht en Den Haag ook in kleinere steden geschilderd werd. Het vernieuwde en uitgebreide Stedelijk Museum van Zwolle toont 53 stukken van schilders die in de 17de eeuw in de stad hebben gewerkt.

De eerste indruk is die van een donkere, plompe Zwolse schildertrant met een voorkeur voor bruine tinten en een onmiskenbaar gebrek aan anatomisch en compositioneel inzicht. Vooral de portretten en historiestukken getuigen van een geringe vaardigheid van de schilders en een navenant ontbrekend kritisch vermogen van de opdrachtgevers. De flauwe portretten van Roelof Koets, het slome herderspaar van Hendrick ten Oever, de brave, vooral voor de stadgeschiedenis interessante schilderijen van Jan Grasdorp die de in elkaar stortende toren van Zwolle vereeuwigde.

Maar dan, bij wat langer kijken, zijn er ineens juweeltjes te zien: een stilleven van vijf schollen door Pieter van Noort, een gezicht op de Blijmarkt te Zwolle van Joannes van Cuijlenborch van wie vrijwel geen werk bewaard is gebleven. Indrukwekkend is het kleine zelfportret dat Mozes ter Borch omstreeks 1661 maakte. De levendige blik, de licht geopende mond, het halfgedraaide gezicht verlenen dit portretje een grote directheid. Aan hem is een groot schilder verloren gegaan. Hij sneuvelde tijdens een militaire expeditie tegen de Engelsen in 1664. Zijn vader Gerard is zonder twijfel de belangrijkste schilder die in Zwolle heeft gewerkt. Zijn schilderijen springen er direct uit door de arrangering van de figuren, waarbij hij een meester is in het suggereren van aandacht, van concentratie van de geportretteerden. Ook de subtiliteit waarmee hij textuur en kleur van stoffen weergaf is zelden overtroffen. Nog een telg uit deze familie is vertegenwoordigd: de zuster van Mozes, Gesina. Vader Gerard schilderde een postuum portret van Mozes, en Gesina voorzag het geheel met vanitassymbolen als slakken, horloges en zandlopers.

Een andere schilder van formaat was Hendrick ten Oever. Er hangen van hem portretten, maar ook een aantal landschappen: weids weiland met grazende koeien. Uit particulier bezit hangt er een topstuk van hem in dit genre, een breed panorama met een lage horizon. De uitgestrektheid van dit Overijsselse land wordt nog versterkt door het ontbreken van een duidelijke voorgrond en door de lage horizon. De koeien zijn bijna grafische vlakken op het groene gras, waarover hier en daar de schaduwen vallen van de overtrekkende wolken. Aan de einder ziet men het profiel van een stad en een begrenzing van populieren die tussen hun stammen nog licht doorlaten. Ten Oever schilderde een land dat langzaam maar zeker wordt opgevreten door wegen en nieuwbouw. Maar wie zoekt kan het nog vinden. Dit schilderij alleen al is een tocht naar deze tentoonstelling waard.

    • Roelof van Gelder