Zoek op wat je liefhebt

Remco Campert: Ode aan mijn jas. De Bezige Bij, 45 blz. ƒ 32,50

'Misschien schrijf ik een ode aan mijn jas/ die even vaak op hotelbedden ligt als ik', dichtte Remco Campert in 1996 bij filmbeelden van een hotel in Dublin. Krap een jaar later zijn die woorden al ingelost.

Na zijn verzamelde gedichten - in 1995 onder de monkelende titel Dichter verschenen - is Ode aan mijn jas een betrekkelijk dunne bundel. Veel van de opgenomen poëzie is bovendien gelegenheidswerk: gedichten voor vrienden, schetsen bij grafiek en elf verzen bij een film. Maar al toont Camperts oeuvre na een halve eeuw dichterschap nog steeds geen noemenswaardige ontwikkeling in stijl, zijn fluistertoon blijft authentiek. Geen dichter ook kan melancholie zo laconiek verwoorden als Campert dat doet in de slotregels van zijn 'Voorlopig gedicht voor Jan Wolkers':

natuurlijk alles is vergankelijk

maar het woord heeft het laatste woord

het blijft rondzingen

tot niemand het meer hoort

Het is deze laconieke grondtoon die vooral de elegische passages in Ode aan mijn jas hun kracht geeft. In nuchtere beelden, zoals dat van de handen van Bert Schierbeek: 'bont en blauw/ van het werk/ van de dood.' Of op het ironische af, wanneer Campert beschrijft hoe hij 'Op het zandpad' gaat kijken naar zijn opgebaarde collega Arie Visser: 'ik zie het al meteen/ het kon niet beter (-) schrijver en vechter gesneuveld /voor ik weet niet wat / maar eervol op een eervol veld.'Zo kan ironie ontroeren. Campert is daar een meester in. 'Zoek op wat je liefhebt/ wat je ontroert', gebiedt hij zichzelf in 'Het alfabet van Remco Campert'. Maar liever dan aan de grote gevoelens geeft hij zijn stem aan alledaagse, anekdotische fragmenten. En staan die eenmaal op papier, dan wordt er niet meer gepolijst - hooguit wat geslepen. 'Maar niet te veel', zegt hij zelf, want 'ik mag niet in schoonheid verliezen / waar het om gaat'.

Het kan om een jas gaan, of om het Hoogoventerrein of een hotel in Dublin; maar niet de dingen, de dichter zelf is doorgaans onderwerp in Camperts poëzie. Dat leidt tot gloedvolle verzen, zoals 'Winter 1950-1951' (een anekdotische herinnering aan een kortstondig verblijf met Lucebert in Parijs) en het eerste gedicht van 'Het alfabet van Remco Campert'. Maar soms ook is de dichter stoorzender tussen zijn vers en de lezer. In Ode aan mijn jas gebeurt dat al te nadrukkelijk in 'Tekenlerares'. Lange middagen in drenzerig licht, schrijft Campert, verwelkten de bloemen onder zijn potlood. Totdat zijn tekenlerares langskwam en hem voordeed hoe het moest:

het inhouden van het gebaar

het uitspelen van het gebaar

dat het daarom ging

leerde ik van jou

Na zulke regels past een punt. Campert echter stopt niet, maar galmt na in het gruwzaam onoprechte 'o' van de ode: 'o tekenlerares/ o muze/ eeuwige geliefde.' Zo kan ironie een vers ontregelen. Of ging de weemoed hier met de dichter aan de haal? Zo ja, dan toont dit wancouplet vooral ook hoe beheerst hij elders woorden gaf aan kommer en morose.

Hoe losjes of zelfs nonchalant Camperts verzen ook overkomen, in Ode aan mijn jas speelt aandacht voor de vorm een belangrijke rol. 'Makkelijk schrijven/ maak het maar eens waar', stelt hij in het gedicht 'Voor Hans van Manen', en ook het 'Voorlopig gedicht voor Jan Wolkers' gaat over het moment waarop een vers 'gedicht' blijkt. Dat Campert niettemin de voorkeur geeft aan vanzelfsprekendheid, blijkt in het achtste gedicht van de cyclus waaraan de bundel zijn titel ontleent. In dat vers valt het omhulsel van zijn jas als vanzelf samen met de poëtische vorm:

poëzie te schrijven

die als een jas met je meegaat

ik haat je wel eens

altijd moet ik erop letten

dat ik je niet vergeet

soms lig je te wachten

in stoffige hoeken

door jou, omhulsel

ondervind ik het leven

aan den lijve

ik groei in je vorm

waar ik steeds meer naar sta

Ruim veertig jaar na 'Poëzie is een daad...' is het dichten voor Campert dus nog steeds een bevestiging van lijf en leven.

    • Arie van den Berg