Vele valkuilen bij proces oorlogsmisdadigers

Het openbaar ministerie wil oorlogsmisdadigers uit voormalig Joegoslavië in Nederland berechten. Het proces-TadiEÉc voor het VN-tribunaal toont aan hoe moeilijk dat is.

ROTTERDAM, 14 NOV. De uitspraak van de Hoge Raad dat de Nederlandse justitie oorlogsmisdadigers uit voormalig Joegoslavië mag berechten, is in kringen van het VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië met instemming verwelkomd. Maar niemand verwacht dat de dertig door een speciale Nederlandse eenheid verzamelde zaken snel tot een veroordeling zullen leiden. “Daarvoor is de materie te gecompliceerd en zijn de bewijzen vaak te vaag”, zegt een diplomaat die het tribunaal volgt.

Hij verwijst daarbij naar het proces tegen de Bosnische Serviër Duško TadiEÉc dat na het horen van 115 getuigen (gedurende zeven maanden) dit jaar eindigde in de vrijspraak na elf afzonderlijke aanklachten van moord wegens gebrek aan bewijs. Alleen een moord die naast een aantal andere misdaden (onder meer mishandeling en opsluiting) in de aanklacht was opgenomen in de algemene beschuldiging van 'vervolging' (persecution), werd als bewezen aangenomen. De rechters van het tribunaal vonden vooral deze algemene beschuldiging (persecution) belangrijk, omdat daarmee de kern van het conflict in Bosnië werd geraakt en - meer in het algemeen - recht werd gedaan aan de specifieke aard van het tribunaal. TadiEÉc werd in juli veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf. Hij heeft beroep aangetekend.

De beschuldigingen van moord in de zaak-TadiEÉc bleken op drijfzand te berusten. In een aantal gevallen kwam de aanklager met slechts één persoon op de proppen die een veronderstelde moord zei te hebben waargenomen, een feit dat de rechters deed fronsen. “U verwacht toch niet dat we een verdachte veroordelen op basis van een enkele getuigenverklaring”, zei de rechtbankpresident eens bits tegen de aanklager. In andere gevallen toonde de verdediging van TadiEÉc, onder leiding van de Nederlandse advocaat mr. M. Wladimiroff, feilloos aan hoe verklaringen strijdig waren met andere uitspraken en waarnemingen. Zo werd TadiEÉc bijvoorbeeld tijdens hetzelfde veronderstelde misdrijf door getuigen waargenomen met baard, zonder baard en met een stoppelbaard. In een van de gruwelijkste beschuldigingen die TadiEÉc ten laste was gelegd - het aanzetten tot castratie die de dood van een persoon tot gevolg had - zei de man die het slachtoffer had moeten vasthouden dat TadiEÉc pertinent niet tot de groep Bosnische Serviërs had behoord die de gevangenen tot deze daad hadden gedwongen. Pas in de rechtszaal werd dit duidelijk.

Wladimiroff had bij het begin van het proces de rechters uitdrukkelijk gevraagd rekening te houden met de mogelijkheid dat herinneringen en waarnemingen van getuigen vervormd kunnen zijn door traumatische ervaringen en wraakgevoelens. Dat begint volgens Wladimiroff al bij de herkenning van daders door slachtoffers in vluchtelingenkampen in het buitenland. Dat is de manier waarop de meeste veronderstelde oorlogsmisdadigers uit voormalig Joegoslavië met justitie in aanraking komen. In de verhoren die volgen, worden misdaden niet zelden uitvergroot of overdreven. In kruisverhoor heeft Wladimiroff tijdens het TadiEÉc-proces menige getuige met uitspraken uit eerdere verhoren geconfronteerd. Een dieptepunt in het TadiEÉc-proces was een getuige die na een onderzoek van de verdediging bekende te hebben gelogen. Hij zei door Bosnische moslims onder druk te zijn gezet belastende verklaringen af te leggen tegen TadiEÉc. Anders dan bij de Neurenberg-processen tegen nazi-kopstukken aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, worden de zaken tegen de oorlogsmisdadigers uit het voormalige Joegoslavië nauwelijks ondersteund door documenten. Getuigenverklaringen zijn derhalve doorslaggevend.

De Nederlandse officier van justitie Besier, belast met de vervolging van oorlogsmisdadigers in Nederland, is van de risico's en valkuilen op de hoogte. In een artikel in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht van augustus van dit jaar, dat geheel aan de vervolging van oorlogsmisdadigers is gewijd, schrijft hij: “De betrouwbaarheid van de getuigen is een cruciaal punt.” Besier tekent daarbij aan, dat naarmate “meer tijd verstrijkt getuigen wellicht minder bereid zullen zijn een verklaring af te leggen. Veel potentiële getuigen die in West-Europa verblijven, houden er rekening mee dat ze in de nabije toekomst zullen willen of moeten remigeren naar voormalig Joegoslavië. Angst voor eigen veiligheid of die van een familielid kan drijfveer zijn niet aan het onderzoek mee te willen werken.”

Besier sluit overigens niet uit dat justitie afziet van het vervolgen van oorlogsmisdadigers in Nederland wegens een overmaat aan “juridische en feitelijke problemen”. Hij verwijst daarbij naar de beslissing van het Gerechtshof van Amsterdam in 1994 waarin de officier van justitie in het gelijk werd gesteld, nadat deze had afgezien van het vervolgen van de Chileense generaal Pinochet wegens de grote problemen die zich daarbij zouden voordoen.

    • Z.C.A. Luyendijk