Standby-gelovigen houden het geloof open als optie; God in Nederland is verhuisd

Voor de derde keer in dertig jaar is onderzocht hoe het nu staat met 'God in Nederland'. De kerk en het geloof lijken gestaag op de terugtocht, terwijl reli-zappers winkelen in de religieuze supermarkt.

LEIDEN/TILBURG, 14 NOV. God is verhuisd. Vroeger woonde hij in de kerk, tegenwoordig vooral in 'de harten der mensen'. Zo verklaart de vorige week verschenen studie God in Nederland waarom het kerkbezoek blijft afnemen, maar Nederlanders zichzelf niet minder religieus vinden dan twintig of dertig jaar geleden.

“Met religiositeit is het hetzelfde als lopen: het is vanzelfsprekend, maar je kunt niet precies zeggen hoe je het doet”, oordeelt de Leidse godsdienstsocioloog Meerten ter Borg. “Bovendien kleurt het culturele klimaat de antwoorden. Als het niet gek wordt gevonden om over god te praten, zegt iemand makkelijker dat hij in god gelooft. En je kunt de uitkomst van een onderzoek naar religiositeit niet toetsen, zoals een verkiezingsprognose op grond van een steekproef aan de hand van de stembusuitslagen.”

Met die slagen om de arm noemt Ter Borg enkele conclusies van de door de KRO/RKK gefinancierde studie desalniettemin “razend interessant”, bijvoorbeeld omdat bestaande theorieën over secularisatie voor een deel worden weerlegd. “Op grond van afnemend kerkbezoek kun je denken dat de religiositeit afneemt, maar het wordt steeds duidelijker dat je dan individualisering meet en niet godsdienstigheid. De orthodoxie neemt af, het aantal mensen dat zich atheïst noemt ook, en er ontstaat een grote middenmoot van standby-gelovigen die niets met het geloof doen maar het als optie openhouden. Dit kan nu worden geuit, omdat veel mensen de uit de verzuiling voortkomende benepenheid kennelijk zijn vergeten die iedereen - kerkelijk of niet - tot in de jaren zestig voelde.”

In zekere zin is Nederland nog steeds een christelijke natie, zegt Ter Borg, want de bestaande religiositeit heeft veel christelijke aspecten. Maar daar staat tegenover dat veel moderne gelovigen reli-zappers zijn. “Ze sprokkelen hun levensbeschouwinkje bijeen uit de religieuze supermarkt: hier een stukje goddelijke genade, daar wat reïncarnatie - een wonderlijk allegaartje. Kun je iemand die op de vraag wie de vader van Christus is 'Adam' antwoordt nog christelijk noemen?”

God in Nederland is de derde studie onder die titel in dertig jaar. In 1966 peilde het damesblad Margriet de religieuze waterstanden en in 1979 deed het weekblad De Tijd samen met de KRO hetzelfde. De jongste editie stelt een aantal van dezelfde vragen - vaak letterlijk - opnieuw, om de vergelijking tussen toen en nu zo zuiver mogelijk te maken. Maar juist daarom zijn de uitkomsten “weinig verrassend”, vindt Walter Goddijn, emeritus-hoogleraar godsdienstsociologie in Tilburg en co-auteur van de studie uit 1979. “Er zijn ontzettend veel veranderingen geweest, maar door je zo strikt naar oude onderzoeken te richten grijp je daar naast”, aldus Goddijn.

Zo is een toenemende afstand tussen kerk en gelovigen volgens hem “niets nieuws”. Maar des te interessanter is de vraag “hoe het kan dat de kerk leeg staat op zondag, maar op een doordeweekse dag plotseling uitpuilt bij een begrafenis. Dat heeft alles te maken met een andere rol van de kerk in kleine gemeenschappen, maar daar wordt met geen woord over gerept”, aldus Goddijn.

Ook had hij graag aandacht gezien voor regionale verschillen in godsdienstbeleving. Of voor “nieuwe typen van religiositeit” die opkomen nu de traditionele kerken hun “monopolie” hebben verloren. “Er zijn ontelbare winkels die een overvloed aan godsdienst, mystiek en global spirituality aanbieden. Dat is ook georganiseerd, maar daar weten we bijna niets van.” Goddijn mist ook aandacht voor eigentijdse religieuze fenomenen zoals die zich afspeelden rond de dood van prinses Diana, waarbij “een massaal publiek zich op een godsdienstige manier met een mens identificeerde”.

Anders dan Goddijn vindt Ter Borg sommige uitkomsten van het rapport wel degelijk verrassend. Zoals de vaststelling dat Nederlanders steeds minder in het gebouw komen, maar de kerk als instituut wel degelijk een nuttige morele, sociale of politieke waakhond vinden. “Mensen hebben behoefte aan instanties die het goede-in-het-algemeen vertegenwoordigen, iets dat uitgaat boven pure belangenbehartiging. In de jaren zeventig waren dat vooral politieke instellingen. Nu zijn Greenpeace, Amnesty en Artsen zonder Grenzen populair, maar men mist kennelijk een instantie met universele dekking. Of het iets over religiositeit zegt, weet ik niet, maar met hun recente acties tegen armoede of voor asielzoekers hebben de kerken kennelijk wel een snaar geraakt. Men heeft behoefte aan een instantie om mee in debat te gaan.”

Die maatschappelijke behoefte is voor de onderzoekers reden om te pleiten voor meer overheidssteun aan organisaties met een levensbeschouwelijke inslag, zoals 'vormingswerk', 'maatschappelijk activeringswerk' en 'geestelijke verzorging', zonder te willen terugkeren naar verzuiling of sterker: de scheiding tussen kerk en staat laten vervagen.

Goddijn is het daarmee eens, omdat het de maatschappelijke cohesie dient en voorkomt dat “mensen zich opsluiten in hun privéparadijsje met hun televisie”. Vooralsnog moet de kerk zichzelf helpen door “commercieel te gaan”, zegt Ter Borg. “Trouwen in de kerk, begrafenissen met een priester - het wordt steeds populairder en dat levert de kerk bijna gratis. Daar moeten ze bij nietleden rekeningen voor uitschrijven.”

Toch vindt ook hij dat de kerken wegens hun publieke functie op termijn meer overheidssteun verdienen, zoals een willekeurige culturele instelling. Ter Borg: “Het is net zoiets als de vraag of we beeldende kunst of popmuziek willen subsidiëren. Op dat niveau moet de overheid de kerken bekijken. Ze zien zichzelf volstrekt anders, al weten ze vaak niet hoe. Ze zijn aan het zoeken naar een identiteit. Dit onderzoek kan ze daarbij helpen.”