Sovjets in BelgiëOmzien in verwarring zonder spijt

Ivan Ollevier: De laatste communisten. Hun passies, hun idealen. Van Halewyck, 320 blz. ƒ 44,90

Op 11 augustus 1950 legde prins Boudewijn voor de Verenigde Kamers van het land de eed af als koning van België. Zijn vader, Leopold III, was tot aftreden gedwongen, omdat hij sinds de oorlog onmogelijk was geworden voor een grote minderheid van de bevolking. Buiten verwachting werd de plechtigheid, die verzoening moest brengen, verstoord door een vanuit een uithoek van de halfronde vergaderzaal opklinkend: 'Vive la République!'.

Ingewijden schreven de brutaliteit onmiddellijk toe aan Julien Lahaut, een communistisch kamerlid. Een week later werd de man neergeschoten in het rijtjeshuis dat hij bewoonde in Seraing. Staatsveiligheid slaagde er snel in de drie daders te identificeren. Maar een gerechtelijke vervolging is daar nooit op gevolgd.

Het verhaal is nog eens overgedaan in De laatste communisten van Ivan Ollevier. Ollevier heeft geen moeilijk toegankelijke archieven of zeldzame geschreven bronnen geraadpleegd. Hij wil geen bijdrage leveren aan feitenkennis, maar aan mensenkennis.

De Belgische communistische partij bestaat niet meer. Ollevier heeft een dertigtal ex-leden ervan daarom opgezocht met de vraag hun verleden te duiden.

Volgens één van hen, Albert de Coninck, oud-Spanjestrijder en een tijdje internationaal secretaris van de partij, was het niet Lahaut die voor het beruchte incident bij de eedaflegging zorgde. Op bandopnames herkende hij de stem van een andere partijgenoot, die na de moord op Lahaut de mythe wijselijk liet bestaan.

Overigens was de aanslag waarschijnlijk niet bedoeld als vergelding, maar het werk van een gelegenheidscommando dat met de moord op een willekeurig kamerlid van de partij het Belgische communisme wou intimideren. Lahaut was door die media-aandacht nu eenmaal in de gaten gelopen.

De moord op Lahaut was een wending in de geschiedenis van het communisme in België. De Koude Oorlog was begonnen. De procureur des Konings was toen kennelijk van oordeel dat het idealisme van de moordenaars geen proces verdiende. Dat zij bekend waren, bleef geheim.

Amper vijf jaar eerder hadden de Belgische communisten nu de hoogste roem beleefd. Onder de Duitse bezetting waren zij bij uitstek de helden van het verzet geweest. Met daden hadden zij hun ideologie respectabel gemaakt.

Zij hadden in de strijd kameraden verloren, vrouwen en mannen, gestorven in kampen. Nu kwam hun uur, bij de bevrijding. Hun gewapende eenheden werden zichtbaar op straat. Toen het erop leek dat er een zeker machtsvacuüm was, wilden zij hun aanwezigheid verankeren in macht. Ze ordenden de straatrepressie, hadden zelfs invloed bij de afwikkeling van de eerste collaboratie-processen.

De sfeer van die dagen werkte in hun voordeel. Anti-fascist was toen een synoniem van patriot. En niemand uit de grijze massa, laat staan uit de politieke wereld, wou de verdenking op zich laden een van beide niet te zijn.

De verkiezingen van 1946 maakten het dan ook onmogelijk de communisten met goed fatsoen uit de regering te houden. Precies in die na-oorlogse jaren evenwel volgde de Britse regering nauwlettend de Belgische politiek. Churchill vreesde in België een communistische staatsgreep. Hij porde de regeringsleiders aan tot subtiele anti-communistische propaganda. Bij de volgende verkiezingen zakten de communisten terug tot een onbeduidend niveau. Veertig jaar lang leidde de partij een marginaal bestaan, tot zij uiteindelijk zou verdwijnen toen in Berlijn in 1989 de Muur sneuvelde. Nog voor het einde van hetzelfde jaar moesten de communisten de macht uit handen geven in tenminste vijf Oost-Europese landen. Telkens onder het gejuich van de bevolking. In West-Europa ontond het communisme zich eveneens. Partijen en organisaties werden bijna overal afgeschaft of veranderden diplomatiek van naam.

De publieke opinie had het niet zo moeilijk met dat fenomeen: het communisme was nu voorgoed ontmaskerd als een systeem van beknelling, onderdrukking zelfs en van economische incompetentie. Ook het westerse communisme had dus geen poot meer om op te staan. Maar in werkelijkheid ging het om iets onbegrijpelijks. Moesten we dan werkelijk geloven dat de Westerse communisten nu pas de schellen van de ogen vielen? En dat zij dan maar deemoedig de superioriteit van het kapitalisme aanvaardden? Er is ook daarna ontzettend weinig moeite gedaan om de nagenoeg complete verdwijning van het woord communisme in het Westen te begrijpen. Het is in die kwestie dat het boek van Ollevier de grootste bijdrage levert.

Volgens de mensen die hij ondervroeg is de partij niet opgelost omdat haar mensen verbluft stonden om de feeststemming waarin de communistische regimes weggeruimd werden. Weliswaar hadden zij altijd gemeend dat het niet aan de kapitalistische wereld was om kritiek te uiten. Weliswaar waren ook zij geschrokken van de omvang van de economische en ecologische puinhoop die de Oostbloklanden achterlieten. Maar de meesten onder hen waren, naar eigen zeggen, al eerder van oordeel dat het communisme in de Sovjet-Unie gedegenereerd was en dat met de ineenstorting van het regime dus niet meteen het communistisch experiment mislukt was.

Sommigen van hen, meestal van een oudere generatie, zijn daarom tot vandaag communisten die blijven geloven in collectivisering. Anderen noemen zich nog altijd marxist. Waarmee zij dan bedoelen dat zij de geschriften van Marx nog bruikbaar achten bij een analyse van het eigentijdse economische systeem: Marx' filosofie als inspiratie en niet als dogma. Dat is bijvoorbeeld het geval met de Gentse hoogleraren Ruddy Doom en Koen Raes. Voor de laatste blijft de hoofdvraag: 'Hoe kun je een efficiënt economisch systeem ontwikkelen dat ook nog rechtvaardig is?' Alleen: 'Het gemakkelijke antwoord van vroeger, dat heb ik niet meer.'

Maar waarom is de communistische partij in België verdwenen? Volgens Olleviers gesprekspartners, omdat de partijtop tot 1990 in handen was van de orthodoxen die - ongetwijfeld ook om financiële redenen - gelieerd wilden blijven aan Moskou. De Belgische partij was allang niet meer een ideologische monoliet. Maar de partijtop hield eraan vast de schijn te behouden, en koesterde dus het verkeerde imago. Al voor de val van de Muur hadden de vaardigste elementen het schip verlaten.

Het spreken over het communisme lijkt stilaan bevrijd van de dwang een oordeel te vellen over goed en kwaad. Er was het relativistische, maar heel inzichtelijke werk van Furet. Er was Figes met zijn kritische, maar serene studie over de Oktoberrevolutie. De laatste communisten valt onder die tendens, zij het dan als documentaire. Het laat de individuen aan het woord: de man van de ondergrondse strijd, de arbeider die Marx leest, de student van liberale huize. Daarom zal het veeleer zelf een bron zijn, zeker niet het laatste woord.

    • Karel Rombaut