Novum in drugszaak: infiltrant klapt uit de school

De Amsterdamse rechtbank beleefde gisteren een primeur: een criminele infiltrant trad op als getuige in een openbare rechtszaak.

AMSTERDAM, 14 NOV. Het was een novum in de Nederlandse strafrechtspleging. Nooit eerder is er in een openbare rechtszaal een getuige gehoord over de criminele activiteiten die hij op last van de politie heeft gepleegd om te kunnen infiltreren in een misdaadbende.

Ook het decor was speciaal. De criminele infiltrant - bijnaam De Ster - was via twee manshoge witte ziekenhuisschermen afgeschermd van advocaten en verslaggevers die als enigen de zitting mochten bijwonen. Alleen de rechters en de officier konden de criminele infiltrant zien. En voor het geval iemand het in zijn hoofd mocht halen toch achter het scherm te kijken, zaten naast het scherm vier agenten in kogelvrije vesten. De getuige, met naast hem zijn eveneens afgeschermde eigen advocaat, was zo goed weggestopt dat de rechters nauwelijks zicht hadden op de raadslieden. Een enkele advocaat stelde zijn vragen al springende.

De Ster werd gehoord op initiatief van advocaat G. Meijers. Die had de rechtbank een tot nu toe geheime verklaring uit 1995 overlegd, waarin de infiltrant tegenover de rijksrecherche - die destijds de drugsimporten van de Haarlemse politie had onderzocht - vertelde over zijn schimmige activiteiten ten behoeve van de opsporing.

De Ster zou onder andere geassisteerd hebben bij het onderzoek naar de zogeheten SRV-bende. Een groep van in totaal 55 verdachten die dezer dagen voor de Amsterdamse rechtbank moeten verschijnen omdat ze tienduizenden kilo's hasj zouden hebben geïmporteerd.

De geheime verklaring van De Ster was pikant, omdat politie en justitie tot nu toe steeds hadden verklaard geen gebruik te hebben gemaakt van infiltratie. Om nu “ondubbelzinnig” antwoord te krijgen op de gang van zaken in dit drugsonderzoek had de president van de rechtbank mevr. E. Steffan-Bakker tot dit originele verhoor besloten.

Medio 1992 werd De Ster aangehouden door de Haarlemse politie wegens fraude met auto's. Hij kreeg toen van de criminele inlichtingendienst het aanbod als infiltrant te gaan werken, waarbij hem een financiële vergoeding en het niet uitzitten van een gevangenisstraf werden beloofd. “Zij hebben mij niet verteld dat ik mij niet schuldig mocht maken aan strafbare feiten”, zei De Ster onder code KVSADH/01 eerder tegen de rijksrecherche. Gisteren legde hij uit wat die voorwaarden betekenden. De te plegen strafbare feiten moesten “proportioneel” zijn, dat wil zeggen in verhouding staan tot de op te lossen misdrijven.

In opdracht van de Haarlemse CID bezorgde hij criminelen onder meer bestelbusjes waarmee drugs werden vervoerd. Ook reisde hij onder regie van de politie naar Pakistan. “Ik heb enkele keren werkzaamheden verricht voor Koos R. om softdrugs vanuit Pakistan per vliegtuig naar Nederland te vervoeren. R. (die nu in hoger beroep terechtstaat met Johan V., red.) werkte in deze trajecten naar mijn mening voor De Hakkelaar”, zo verklaarde De Ster bij de rijksrecherche. Maar ook in het SRV-onderzoek heeft De Ster volop diensten verleend, verzekerde hij gisteren. Aan zijn infiltratiecarrière kwam in 1995 evenwel een eind toen de Haarlemse CID in opspraak raakte en infiltranten “werden afgebouwd”.

Tegenover de rechtbank vertelde De Ster gisteren dat hij van justitie te horen heeft gekregen, dat hij in levensgevaar verkeert. Vandaar ook dat er gisteren alles in het werk werd gesteld om zijn identiteit te beschermen. Alle vragen die zijn identiteit zouden kunnen onthullen, werden geweigerd. Dat die bescherming betrekkelijk onzinnig was, bleek toen de criminele infiltrant vertelde dat hij enige dagen geleden van de hoofdverdachte Benny M. een kaartje had ontvangen met de tekst: “We waren goede vrienden.” Benny M. gaf ook zijn adres in het Huis van Bewaring.

Ook de verdachten die later in de gelegenheid werden gesteld vragen aan de rechtbank op te geven om ze aan de getuige te laten stellen, lieten duidelijk merken heel goed te weten met welke criminele infiltrant ze te maken hadden. “Ik heb wel een paar vragen aan de heer L.”, liet verdachte De G. weten, waarbij hij de naam noemde die inderdaad al de hele dag rondzong. Een andere verdachte wilde desgevraagd ook nog wel uitleggen dat je in de naam L. geen letter g maar ch moet schrijven. Weer een andere verdachte wilde dat de rechter zou vragen waarom L. “een keer een heftruck bij ons bedrijf leende”.

De verklaringen van De Ster werden later op de dag stellig tegengesproken door F. van der Putten, die destijds bij de politie het onderzoek naar de bende leidde. Volgens Van der Putten kunnen de advocaten nog twintig infiltranten oproepen die verklaren dat ze geïnfiltreerd hebben, maar hij zal het tegenspreken. Het is nu aan de rechters te bepalen wie ze geloven: de opsporingsambtenaren of hun voormalige criminele medewerker De Ster.

Maar een trend is hoe dan ook gezet. Werden vroeger nauwelijks getuigen gehoord op een Nederlandse strafzitting, sinds enige jaren is onder invloed van Europese rechtspraak het hek van de dam. Na politiemensen, observanten, officieren van justitie en kroongetuigen lijkt een gegarandeerd optreden van criminele infiltranten onafwendbaar. De advocaten van Koos R. - begin dit jaar veroordeeld tot vijf jaar hechtenis wegens zijn aandeel in de Hakkelaarzaak - zullen waarschijnlijk niet aarzelen De Ster ook op te roepen als getuige in de lopende hoger-beroepszaak.