Literatuur ter plaatse

Tot 1894 heeft op de hoek van Raadhuisstraat en Singel het huis gestaan waar Joost van den Vondel op 5 februari 1679 zijn laatste adem heeft uitgeblazen. Op de Torensluis, de brede brug die een honderd meter verder de Singeloevers verbindt, staat het formidabele borstbeeld van Multatuli.

Van zijn hoge positie zou hij Vondels sterfplek kunnen zien. Hij kijkt ergens anders naar, rechts in het onbestemde waar ik niets bijzonders heb kunnen ontdekken. Op het grijze, ontoegankelijk uitziende maar niet lelijke gebouw wordt de herinnering aan Vondel bewaard door een glasachtige plakette. Het materiaal is licht bekrast en het kleeft, van de lijm die de affiches erop hebben achtergelaten. Er zijn dus mensen die gedacht hebben: wij plakken onze mededelingen over de sterfdatum van onze grote dichter. Ik beschouw het niet als heiligschennis, maar het blijft eigenaardig: de sterfdatum van wie dan ook met je reclame onzichtbaar te maken. Op de sokkel van Multatuli wordt verwezen naar zijn museum, drie minuten lopen. Dat viel goed te lezen. In de direkte omgeving van de schrijver was het op 13 november om half tien 's ochtends een zeer vieze rotzooi waar ik, hem bekijkend, onvermijdelijk in stapte. Hieruit blijken drie dingen: het volk eert zijn grote schrijvers, het onderhoud van het eerbetoon kan beter, en de belangstellenden moeten de raad volgen die bij Schiphol langs de autoweg staat: Kijk op de weg, niet in de lucht.

Denkend aan Vondel liep ik door de Molsteeg, de Mozes en Aäronstraat, langs het Paleis, over de Dam in de richting van de Warmoesstraat waar onze Homerus met zijn vrouw een zijde- en kousenwinkel dreef. Daar heeft hij ook vaak gelopen. Hij heeft het stadhuis in aanbouw gezien, in Amsterdams Gouden Eeuw. Als hij geen drama's schreef, verkocht hij kousen. Dat was het eerste wat ik als kind over Vondel hoorde. Ik was een jaar of negen, ging weleens met mijn moeder naar de Bijenkorf. Ze kocht kousen die eerst door de verkoopster aan haar werden vertoond. De kousenafdeling werd bevrouwd door oudere dames. Zo'n dame strekte haar arm en stroopte voorzichtig de kous over haar hand om de ragfijnheid van de zijde te laten zien. Ik keek en dacht aan Vondel, achter de toonbank in de Warmoesstraat. Later heb ik de Gijsbreght gezien, met Albert van Dalsum in de hoofdrol. Zelfs toen heb ik de gedachte aan de kousenwinkel niet van me af kunnen zetten. En nu, op 13 november 1997, op de hoek van Singel en Raadhuisstraat, merkte ik dat het beeld van de kous om de hand van de mevrouw in de Bijenkorf, 61 jaar geleden, nog steeds mijn waardering van Vondel beïnvloedde.

Hoe komt de jeugd tot de literatuur, daar gaat het om, en dan: hoe wordt een gunstig beeld bewaard of een vooroordeel bestreden. Met Multatuli is het niet moeilijk. Als je hem via Woutertje Pieterse hebt leren kennen, bijvoorbeeld, kom je je leven niet meer van hem af. Terwijl ik naar zijn borstbeeld keek, heb ik een paar strofen uit het Roverslied gemompeld. Maar nu gaat het over de moderne en de modernste schrijvers. Gerard Reve. Zojuist is bij Bas Lubberhuizen, uitgever, een werkje verschenen van Hans Hafkamp, getiteld 'Ik haat Amsterdam... Amsterdam is een gedoemde stad'. Er hoort nog iets bij dat in de inleiding wordt geciteerd: Amsterdam is 'een lugubere feesttent waarop een vloek schijnt te rusten, want welke gave of welk talent men ook moge hebben: wie daar blijft zitten zal nooit iets bereiken, waarom dat zo is weet ik niet.'

Graag had ik gelezen dat dit tekort, achter de komma aangegeven, intussen was verholpen maar dat leest men in dit boekje niet. Het is eigenlijk een reisgids langs de plekjes, lokaties, onderkomens, achtergronden die in het werk van Reve op een of andere manier van belang zijn. Dat is zorgvuldig gedaan, en daardoor is het een mooi boekje geworden, niet alleen voor degenen die tot de sekte of de geloofskring van de Revianen horen. Waarom dat zo is weet ik wel. Er verschijnt namelijk een stad in die intussen vrijwel is verdwenen: de stad die nog de laatste geluiden, de geuren en de kleuren van de oorlog heeft. De ingang van het huis aan de Tintorettostraat bijvoorbeeld, dat in de hongerwinter het toneel is geweest van een beroving. De bakstenen in deze straat dragen tot op de dag van vandaag de kleur van de hongerwinter. (De foto was daarom beter geweest, evocatiever, zullen we zeggen, als er geen Deux Chevaux geparkeerd had gestaan). De gevel van de drukkerij van Jesse aan de Nieuwezijds Voorburgwal, die het in deze moderne tijd niet heeft weten te bolwerken. Met de teksten uit het oeuvre die erbij horen. Teveel om op te noemen. Nog meer foto's had geen kwaad gekund, maar zo stemt het ook al tevreden, deze wandeling door de literatuur en een onbereikbaar geworden geschiedenis.

    • H.J.A. Hofland