Le Quatuor, komisch Frans strijkkwartet; Wij maken het publiek snel vrolijk

Het Franse strijkkwartet Le Quatuor wil de mensen laten lachen, liefst met 'een elegante lach'. Daartoe geven ze de klassieke muziek een wat andere vorm, waarin zwemvliezen, een vliegende violist, de juiste wijze van zitten en een snurkende cello een rol spelen. “Maar 't gaat niet over werkloosheid of de ozonlaag.”

Le Quatuor, Il pleut des cordes. Tot 4 januari. Théâtre du Palais Royal, 38 Rue Montpensier, Parijs, eerste arrondissement. Kassa tel.01 42975981.

Een klassiek strijkkwartet betreedt het podium. Vier heren in rok gaan zitten, na de panden van hun rok netjes opzij te hebben gelegd. Zij stemmen hun instrumenten, wisselen een miniem knikje en gaan spelen. Iets wat lijkt op Schuberts Forellenkwintet. Dan springt een TL-buis. De musici hernemen zich. Tot al het licht uitvalt. Daarna wordt het concert nooit meer klassiek.

Le Quatuor is een groep van vier mannen die viool, viool, altviool en violoncel spelen, maar daar houdt de vergelijking met een Strijkkwartet op. Zij spelen alle genres muziek van de regenboog, zingen, lopen, klimmen en dansen, met als enig decor de belichting. En zij doen dat met toenemend succes, nu al meer dan een jaar in het Théâtre du Palais Royal in Parijs. Zij horen nergens bij en trekken een groot en gevarieerd publiek dat na de behandeling stralend de zaal verlaat.

Aan de overkant van het theater in de Rue Montpensier heeft een bar aan de straat een paar tafeltjes staan. Ongehinderd door het verkeer dat lawaaiig langs hun tenen rijdt, vertellen drie van de vier muzikanten daar over hun kwartet dat in 1980 vriendelijk en vooral vrolijk begon. Zij traden op 'als een soort gitaarband' in café-theaters, zaaltjes en scholen. Pas in 1985 grepen zij naar de vermomming van het strijkkwartet. Daarna werden zij bekender, gingen op tournee, tot Hong Kong toe, maar nooit naar Nederland. Inmiddels speelt Le Quatuor zijn zesde of zevende programma, 'we hebben het nooit geteld'. Het heet Il pleut des cordes, letterlijk: 'het regent snaren', gewoonlijk: 'het regent pijpestelen'.

Zo Frans als de vier zijn, het buitenland hoeft geen moeite te hebben met hun kunsten. Le Quatuor maakt bijna geen woordgrappen. De taal die zij spreken is fictief. Jean-Claude Camors, de lyrische zanger en violist van de groep - hij vertoont verwantschap met Stan Laurel en Charles Trenet - zegt: “Wij weigeren de makkelijke, vette lach. We zoeken eerder een elegante lach. Singing in the Rain op zwemvliezen werkt grappig, maar we leggen het er niet dik bovenop. De situatie moet 't 'm doen bij ons. Hier noemen ze ons 'très British'. In Engeland vindt men ons overigens 'terribly French'. De mensen weten nog steeds niet wat ze van ons moeten denken. Het enige wat je kan zeggen is dat we het publiek snel vrolijk maken. Reden voor de klassieke muziek om ons te negeren. Die wereld is niet grappig. Wij ruïneren de klassieke muziek niet, we maken haar niet belachelijk, we respecteren haar, al geven we haar vastgeroeste expressievorm wat lucht. Iedereen kan wat doen met een rok en een viool, maar het vraagt meer om er iets van te maken als de eerste voor de hand liggende grappen voorbij zijn. Het is moeilijk een oeuvre te bouwen op de lach en de emotie, dat is hard werken. Je bent niet iedere dag geniaal.”

Woestijninstrument

Meestal antwoorden twee of drie leden van Le Quatuor tegelijk op een vraag. Zij struikelen over elkaars woorden om uit te leggen dat het niets bijzonders is wat zij doen. “Ik ben helemaal niet grappig”, zegt Camors - die uitgesproken grappig is - bijvoorbeeld. “We zijn geen intellectuelen”, begint Pierre Ganem intussen. Hij is Libanees, geboren in Egypte, opgegroeid in België en New York, en terecht gekomen in de zuidelijke voorsteden van Parijs, maar gezien zijn door het publiek bejubelde nummers als crooner nog steeds merkbaar een liefhebber van het Amerikaanse lied. Wat hem niet belet de altviool als Noordafrikaans woestijninstrument in te zetten.

Laurent Cimade, de cellist die een suite van Bach kan spelen terwijl hij zijn instrument horizontaal voor de buik houdt, heeft in het echt niets van de rappende funker die hij op het toneel speelt: “Wij zijn een barokke groep. Allemaal heel verschillend, maar nadat Pierre en ik ook waren gaan zingen bleek dat we met onze stemmen niet alleen elkaar maar ook onze instrumenten goed aanvulden. Dat is misschien het geheim van Le Quatuor. Vier klassieke muzikanten zouden dit muziekspektakel niet bij elkaar kunnen fantaseren. Wij zijn een speling van het lot.”

Cimade is de enige van het viertal die een klassieke opleiding heeft genoten, en in een serieus orkest heeft gespeeld. Het heeft hem “jaren gekost om het Conservatorium af te leren”. De collega's van vroeger, “die me destijds een onmogelijke figuur vonden die 't nooit zou leren, zeggen nu, nadat ze zijn komen kijken: Het zat er altijd in”.

Na jaren optreden in zaaltjes en waardering bij liefhebbers van hun 'cabaret sophistiqué', zoals zij hun kunst na enig overleg typeren, kan Le Quatuor pas sinds kort het risico nemen een theater voor een heel jaar af te huren. En er bovendien dit najaar nog drie maanden aan te plakken (tot 4 januari). Het publiek is gestaag gegroeid via mond tot mond-reclame, tot nu 200.000 betalende bezoekers per jaar, merendeels “mensen die nooit naar het theater gaan, die ook geen idee hebben wat Le Quatuor is, behalve dat ze er naar toe moeten gaan.”

Als één man vallen de heren uit naar de kunstambtenaren van Frankrijk. “Die lui beschouwen ons als profiteurs als we een beetje subsidie vragen voor een tournee naar Oost-Europa of zoiets. Wij krijgen geen cent want we verdienen zogenaamd schatten. Ze vergeten hoeveel risico's we nemen, hoe lang je zo'n programma als het onze voorbereidt. We hebben succes, eindelijk, we kunnen ons permitteren niet op de televisie te verschijnen - daar verlies je veertig procent van je betekenis en na een paar jaar hebben ze je niet meer nodig. Tv castreert. Maar het is onaangenaam hoe de kunst-elite in dit land ons behandelt. We zijn niet gearriveerd, we stellen ons niet tevreden met wat we doen, we proberen onze mogelijkheden steeds weer op te rekken. In dit laatste programma door minder grappen te maken, door muzikaal tot de grens te gaan en het steeds meer aan de binnenkant te zoeken en minder aan de buitenkant.”

Geen paniek voor wie te veel ernst vreest. Le Quatuor (met Laurent Vercambre als vliegende violist) bouwt nog steeds pizzicato-spelend een toren op één stoel, voert een riddergevecht voor strijkers te paard, demonstreert een masterclass met speciale aandacht voor het gaan zitten, een West Side Story die in een locomotief eindigt, en veilt in het voorbijgaan een Stradivarius. Een van de mooiste scènes was die van de drie violen die in het donker zitten te keten omdat ze niet kunnen slapen, terwijl de cel ligt te snurken. Om maar te zwijgen van de gepoederde opera-toegift en het kunststuk van vier heren die op één cello spelen.

Le Quatuor is geen cabaret in de Nederlandse betekenis van het woord. De actualiteit speelt geen rol, “hoogstens onderbewust”, peinst Jean-Claude Camors, “we wonen in Parijs en luisteren naar de zelfde de radio als het publiek”. Hij draagt veel ideeën aan, zeggen de anderen, maar hij houdt vol: “Er is bij ons geen auteur. Het draait om de vrijheid alles te kunnen doen. Eerst zijn we maanden als kinderen bezig. Later kiezen we wat er in blijft, en wat niet. Onze regisseur Alain Sachs brengt er vervolgens orde in. Maar 't gaat niet over werkloosheid of de ozonlaag. Niets hangt de mensen zo de keel uit als bedolven worden onder theorieën. Artisten als Delon, Belmondo en Depardieu komen tegenwoordig voor goede zaken op waar men het over eens is. Iedereen is tegen oorlog. Wij willen gelegenheid geven tot dromen. Daar kan iedereen zijn eigen emoties in leggen.” Dat is wat het is, een gelukzalig niets, op muziek gezet.

    • Marc Chavannes