Isaiah Berlin: Four Essays on Liberty, 1969

Isaiah Berlin: Four essays on liberty. Oxford University Press 1969, ƒ 36,15 (pbk)

Een beschaafd mens is een gematigd mens, gezegend met het inzicht dat in deze wereld niet alle mooie dingen zijn te combineren. Over het doel van hun leven koesteren mensen talloze opvattingen, die vaak in meerdere of mindere mate waardevol zijn, maar die zelden in combinatie kunnen worden verwerkelijkt.

De overtuiging dat er niet één formule bestaat die een algemene richtlijn kan bieden voor het menselijk handelen, loopt als een rode draad door het werk van de in Rusland geboren maar al in zijn kinderjaren naar Groot-Britannië gemigreerde filosoof Isaiah Berlin, die vorige week op de leeftijd van 88 jaar overleed. Het meest bekend is hij geworden met zijn Four Essays on Liberty, dat opstellen bevat die in de jaren vijftig zijn geschreven maar pas in 1969 werden gebundeld, voorzien van een lange door hemzelf geschreven inleiding. In het kernessay 'Two concepts of liberty' legt Berlin uit dat 'vrijheid' niet alleen op gespannen voet kan staan met andere waarden, maar door haar innerlijke verscheurdheid ook met zichzelf.

Dit begrip is vatbaar voor meer dan één uitleg, afhankelijk van de vraag wat de mens als zijn eigen bestemming ziet. 'Negatieve' vrijheid is gericht op de behoefte met rust te worden gelaten, door andere individuen en door de overheid. 'Positieve' vrijheid wordt daarentegen gedefinieerd als de mogelijkheid zichzelf te ontplooien, te doen en laten wat men wil, zijn eigen meester te zijn. Deze vrijheid kan gemakkelijk leiden tot de aantasting van andermans 'negatieve' vrijheid.

Als politiek ideaal is de 'positieve' vrijheid in het communisme uitgemond tot een despotisme dat erop gericht is alle burgers te 'bevrijden' door hen tot gelijkgeschakelde onderdanen van de klassenloze maatschappij te maken. Lang daarvoor al had Benjamin Constant, die door Berlin vaak met waardering wordt aangehaald, erop gewezen dat de Franse Revolutie in haar Jacobijnse versie tot de vestiging van een 'positieve' vrijheid leidde die de individuele ruimte vernietigde om zelfstandig keuzes te kunnen maken.

Berlin pleit voor de aanvaarding van de realiteit dat er talrijke politieke doeleinden bestaan, afgeleid uit waarden die ontsproten zijn aan het menselijk brein, onderling vaak strijdig, maar niettemin in combinatie nastrevenswaardig. Met dit pleidooi voor waardenpluralisme, dat in het opstel over John Stuart Mill nader wordt uitgewerkt, reageerde de filosoof Berlin op het totalitaire gevaar dat ook de loop van zijn eigen leven had bepaald. Geboren in de Letse hoofdstad Riga, werd de tienjarige Isaiah met zijn Russisch-joodse ouders door de terreur van de revolutie het geboorteland uitgejaagd.

In de overige twee opstellen die in Four Essays zijn verzameld, 'Historical Inevitability' en 'Political Ideas in the Twentieth Century', verdedigt hij de opvatting dat uitsluitsel over het patroon van de geschiedenis even onmogelijk gegeven kan worden als over het doel van het leven. Niettemin leidt de gedachte dat de historische ontwikkeling is gedetermineerd en door onpersoonlijke 'structuren' in een bepaalde richting wordt gedreven, in de twintigste eeuw een hardnekkig leven, niet alleen in de gedaante van het marxisme.

Ook in zijn bestrijding van deze opvatting doet Berlin een beroep op de werkelijkheid. Welk mens gaat in zijn handelen uit van zijn eigen gedetermineerdheid? Het determinisme is in strijd met de uitgangspunten van ons dagelijks handelen. Aan de lopende band stellen we onszelf en anderen aansprakelijk voor gepleegde daden. Voortdurend gebruiken we termen als 'verantwoordelijkheid' en 'schuld', prijzen we mensen om hun moed en lachen we hen uit om hun lafheid. In een gedetermineerde wereld zou moed echter een eigenschap zijn die onafhankelijk is van de (dan niet bestaande) wil, terwijl het plegen van een moord net zo min verwijtbaar zou zijn als het hebben van rood haar. Dat het determinisme niettemin in de geschiedschrijving een hardnekkig verschijnsel is, bewees Daniel Goldhagen nog vorig jaar met zijn bestseller Hitler's Willing Executioners. In dat boek wordt de genocide op de joden verklaard uit de structurele moordzucht van 'de' Duitsers. De absurde consequentie van dat standpunt is dat ook Adolf Hitler de gevangene was van deze eigenschap en dus geen individuele verantwoordelijkheid droeg voor zijn daden.

Berlin is vaak bestookt met het verwijt dat zijn pleidooi voor het pluralisme in politiek opzicht gemakkelijk tot relativisme en overschilligheid leidt. Als alle waarden een product zijn van de menselijke verbeelding, als geen enkele waarde objectief 'beter' is dan een andere, waarom zou men zich dan nog druk maken over welke politieke doelstelling dan ook? Hij heeft vaak beklemtoond het relativisme net zo resoluut af te wijzen als welk monistische formule dan ook. Partij kiezen is voor Berlin altijd een vanzelfsprekendheid geweest, maar hij hechtte steeds groot belang aan de wijze waarop een politiek standpunt gevormd wordt. De overtuiging dat pasklare antwoorden niet bestaan, dwingt volgens hem allereerst tot een grondig onderzoek van de specifieke kenmerken die elk politiek vraagstuk heeft.

Toch ligt hier een probleem, ook al is dit onoplosbaar. Hoe nuttig en noodzakelijk het ook is feiten onder ogen te zien, ze leiden op zichzelf zelden naar een onomstreden conclusie. Het pluralisme legt zich neer bij het bestaan van uiteenlopende politieke opvattingen. Het stelt zich tevreden met een samenleving waarin altijd conflicten over waarden zullen blijven bestaan, voortdurend moeilijke afwegingen moeten worden gemaakt en niemand ooit helemaal zijn zin kan krijgen.

Is men is staat zich duurzaam bij dit perspectief van een onvolmaakte compromissencultuur neer te leggen? Ligt het verlangen naar een ideale samenleving, beheerst door vrede en harmonie, niet diep verankerd in de Westerse cultuur? Berlin beklemtoont zelf dat al bij Plato het denkbeeld is te vinden dat het kwade vele gezichten heeft, maar het goede slechts één. Het Verlichtingsdenken, dat het Westerse mensbeeld diep heeft beïnvloed, nam dit idee over. De wetenschap dat het verlangen naar Utopia wortelt in een zo lange traditie, stemt niet tot optimisme over de politieke levenskansen van het pluralisme op lange termijn.

Berlin merkt zelf in zijn opstel over John Stuart Mill op dat de moderne twintigste-eeuwse mens lijdt aan de angst voor desintegratie en gebrek aan richting. Sinds 1989 is dat probleem nog groter geworden: met het verdwijnen van de totalitaire vijand, die op de pluralistische democratie een samenbindende werking had, is het gebrek aan cohesie een nog groter kwaal geworden. De paradox is dat juist in deze omstandigheden de betekenis van Berlins werk alleen nog maar groter is geworden.

Zijn oeuvre biedt niet alleen een politiek-theoretisch antwoord op de dreiging van het totalitarisme, maar ook een filosofische rechtvaardiging van de democratie die tegelijk vertroostend en opwekkend is. Berlin maakt duidelijk dat de competitie over de rangorde van waarden een uiterst moeilijke en nooit eindigende opgave is die echter, indien ze wordt gevoerd op basis van respect voor feiten en in een sfeer van tolerantie, de hoogst denkbare vorm van politieke beschaving vertegenwoordigt die in onze tijd denkbaar is.

    • Ronald Havenaar