Het verhaal als gevangenis; De popularisering van de Erge Gebeurtenis

Op de televisie en in documentaire films wordt het persoonlijke verhaal steeds belangrijker. Mensen vertellen uitvoerig over hun leed en lijden en het vertellen lijkt ze op te luchten. Maar klampen deze vertellers zich niet vast aan een schijnwerkelijkheid? “Ieder verhaal, hoe authentiek ook, blijkt in laatste instantie verzonnen - simpel en alleen omdat het door mensen verteld wordt.”

Een klein bericht waarvan niemand wakker gelegen zal hebben: enkele weken geleden werd het boek De ronde van Witteman uit de handel gehaald. In het gelijknamige televisieprogramma had een groot aantal mensen met beklemmende openhartigheid over hun leed en lijden aan presentator Paul Witteman verteld, maar toen hun intieme verhalen in een boek bleken te zijn afgedrukt zonder dat hun om toestemming was gevraagd, tekenden sommigen protest aan. Witteman bekende ruimhartig schuld en gaf een verklaring voor zijn nalatigheid: hij was er blindelings van uitgegaan dat mensen die in beeld over de ingrijpendste gebeurtenis van hun leven wilden vertellen, er geen bezwaar tegen zouden hebben hun verhalen ook nog eens op papier te zien afgedrukt.

Dat lijkt logisch gedacht. De televisiecamera onthult alles; wanneer je eenmaal de stap hebt gezet in de studio zonder pruik of aangeplakte baard je ziel op tafel te leggen, kan een boekpublicatie achteraf toch nauwelijks meer zijn dan een voetnoot. Tenzij er financiële belangen in het spel zijn, maar ik neem aan dat geen van Wittemans gasten betaald kreeg. Er moet iets anders aan de hand zijn geweest.

Wanneer je daarover nadenkt, dringt een andere, belangrijker vraag zich aan je op. Waarom vertellen zoveel mensen hun hoogstpersoonlijke verhalen op televisie? De ronde van Witteman staat niet alleen, het was de afgelopen seizoenen slechts de meest respectabele vertegenwoordiger van het openhartigheidsgenre. Wie 's avonds wat lukraak zapt, ontdekt op de Nederlandse televisie een scheiding tussen lichaam en geest. Op de commerciële zenders mogen gewone mensen zich letterlijk bloot geven. Ze laten zich filmen terwijl ze op een schuimrubberen matras van een parenclub liggen te kroelen in een massa van bleek vlees, of ze verwezenlijken voor de camera hun dierbaarste wens: optreden in een echte pornofilm. Schakel naar een van de zenders van het oude omroepbestel, en je valt midden in een verhaal; een vrouw vertelt over haar post-natale depressie of boulimie, een moordenaar over hoe hij tot zijn daad kwam, een dochter over de versterving van haar moeder, een zoon over de verkrachting door zijn vader.

Het is een tweedeling die veel zegt. De pulpzenders mikken onverbloemd op de dionysische verlangens van hun kijkers, de hang naar overgave aan het orgiegevoel; een overgave die overigens per definitie blijft steken in een schraal voyeurisme, aangezien je nu eenmaal vanuit je luie stoel moet toekijken hoe anderen het doen. De publieke omroep laat vooral pratende hoofden zien. En altijd vertellen die hoofden het schrijnend persoonlijke verhaal.

STEEKWOORDEN

Die verhalen hebben allemaal dezelfde structuur. Er heeft iets heel ergs plaatsgevonden, misbruik, een misdaad, een fataal ongeluk. De steekwoorden kennen we: ziekte, incest, verslaving, ziekelijke minderwaardigheidsgevoelens, jaloezie, lukraak geweld, alles wat het leven tot een hellevaart kan maken. Maar wat het praatprogramma of het persoonlijke gesprek steevast doet, is die even gruwelijke als onpersoonlijke trefwoorden inbedden in een relaas dat verteld kan worden, een verhaal met een personage en een intrige. De Erge Gebeurtenis fungeert als een scharnier in dat verhaal. Uit de mond van de man of vrouw die het allemaal aan den lijve heeft ondervonden, horen we wat eraan voorafging, vervolgens hoe hij of zij de Erge Gebeurtenis heeft ervaren, en ten slotte hoe ermee geleefd werd. Bijna nooit is het einde gelukkig, meestal eindigt het gesprek in een gedragen stilte. De verteller blijkt een getekende voor het leven ('die man loopt nog vrij rond, terwijl ik levenslang heb'). Hij moet 'ermee leren leven', proberen 'de draad weer op te pakken.'

Wanneer de verteller op dat dode punt van zijn verhaal is aangekomen, worden meestal ook de beweegredenen achter zijn televisie-optreden zichtbaar. Ondanks de anticlimax van zijn relaas - de dader werd nooit gevonden, de kanker kan zich ieder moment opnieuw openbaren, zijn dochter krijgt hij niet meer terug - stelt het zelf vertellen van wat hem is overkomen hem in staat zich te ontdoen van zijn rol van willoos slachtoffer. Door zichzelf tot een personage te maken, iemand die vorm geeft aan zijn eigen, ogenschijnlijk onleefbare ervaringen, bevrijdt hij zichzelf van zijn passiviteit. Wanneer het verteld is, is de Erge Gebeurtenis zijn verhaal geworden. De camera maakt er bovendien een getuigenis van. Het is gezien, niet onopgemerkt gebleven. Dat moet ook de reden zijn waarom de gasten van Witteman zich misbruikt gevoeld hebben, toen ze hun verhalen in een boek tegenkwamen: doordat hun niet om toestemming gevraagd was, kregen ze het gevoel dat hun verhaal hun was afgenomen. In plaats van hun verhaal, door henzelf verteld, lazen ze nu een verhaal, onverwachts geannexeerd door de persoonlijkheid van Witteman zelf. Tijdens de opnamen zullen ze het gevoel gehad hebben dat ze hun negatieve ervaringen tot iets unieks hadden gemaakt. De publicatie van het boek bracht de pijnlijke waarheid aan het licht.

TREFWOORDEN

Toen deze mensen hun verhaal vertelden, moeten ze gedacht hebben dat hun verhaal betekenis gaf aan wat ze tot dusver niet konden bevatten; niet alleen aan henzelf, maar ook aan al die anderen die door het leven zwaar mishandeld waren. En dan blijkt achteraf dat hun ontboezemingen zich hebben losgemaakt van henzelf. De vertellers zien zichzelf gereduceerd tot hun verhaal. Ze zijn opnieuw slachtoffers geworden.

Dat het therapeutisch vertellen vaak genoeg in een dergelijke desillusie strandt, lijkt niemand te verhinderen in het openbaar uitgebreid zijn wonden te likken. De drang om te verhalen is kennelijk te groot. En juist die wonden geven het verhaal zijn schijnbaar onvervreemdbare authenticiteit.

In de Verenigde Staten heeft de notie dat het goed is om het eigen lijden tot een verhaal te maken inmiddels de kracht van een geloof gekregen. Een recent serieus boek als The Wounded Storyteller van de Amerikaanse professor in de sociologie Arthur W. Frank, gunt iedereen van harte zijn eigen lijdensverhaal. Allemaal, zegt Frank, worden we op een gegeven moment ziek, bij ons allemaal slaat het leven diepe, ongeneeslijke wonden; door ons verhaal te vertellen kunnen we onszelf redden. Wat ons van het gewone leven vervreemdde, veranderen we op eigen kracht in onze reden van bestaan. Net als de gasten van Witteman hernemen de zieken van Frank de verantwoordelijkheid voor hun leven en lijden. De medische wetenschap wordt in The Wounded Storyteller afgeschilderd als een koloniale macht, die met haar wetenschappelijke jargon het persoonlijke verhaal van de zieke onderdrukt. Wie zijn eigen ziektegeschiedenis vertelt, pleegt dus ook nog eens een daad van verzet. In Franks visie groeit de stem van de zieke uit tot een orakel van lijden en verlossing - wat resulteert in een soort metafysica van het lichaam. De stem van de verteller bevrijdt het zieke lichaam zelf, maar draagt bovendien een overweldigende betekenis voor andere levens in zich.

Wie het lichaam een stem geeft, bevestigt meer dan zijn eigen uniekheid. Je eigen verhaal vertellen beschouwt Frank als een ethische daad, de cultus van de persoonlijke ziektegeschiedenis ziet hij als 'an ethic of voice'. Iedereen heeft het recht (en eigenlijk de plicht) zijn verhaal te vertellen. De waarheid doet er niet toe, er is helemaal geen waarheid. Het gaat erom hoe de zieke zijn lijden ervaart.

BLEEKJES

Een beetje misselijk word je ervan, van die zalvende blijmoedigheid, van al dat evangelisch optimisme. Tegelijkertijd kun je ook niet ontkennen dat zijn 'ethiek van de stem' deel uitmaakt van een beweging die veel wijder verbreid is: van de geschiedschrijving tot de beeldende kunst en de literatuur. Zoals Frank zich in zijn studie verzet tegen de onpersoonlijke, objectiverende taal van de medische wetenschap, zo heerst er vrijwel overal een algemene afkeer van alles wat zweemt naar de theorie en het abstracte ideaal. Wie op zoek gaat naar een absolute waarheid, weten we uit pijnlijke ervaring, walst onherroepelijk over het individu en het eigene heen. De menselijke ervaring blijkt niet samengevat te worden in een schema, en de ontwikkeling van een samenleving niet in een vijfjarenplan. Het keurslijf van de ideologie is verstikkend gebleken voor iedere humane impuls, voor iedere vorm van creativiteit ook. Aan de andere kant heeft Nietzsche's perspectivisme - de honende vaststelling dat het leven slechts uit subjectieve indrukken bestaat, in plaats van onwrikbaar verankerde waarheden - zijn literaire en filosofische navolgers de doodlopende steeg van het deconstructivisme ingevoerd. Hoe kan iets nog waarde hebben, wanneer alles betrekkelijk is? Hoe kan iemand zich nog een individu noemen, wanneer uit alles wat hij doet of zegt, blijkt dat hij een speelbal is van krachten waar hij geen greep op heeft?

Het antwoord op deze onmogelijke vragen ligt besloten in het verhaal. Min of meer gelijktijdig is in de geschiedschrijving en de literatuur en de sociale wetenschap de kracht van de persoonlijke vertelling herontdekt. De onvervreemdbare waarde van het individu, de oneindige verscheidenheid van de menselijke ervaring kan niet tot uitdrukking worden gebracht door een theoretische samenvatting of de taal van de wetenschap.

In de geschiedschrijving gaat het dus steeds minder om wat er gebeurd is, maar hoe het beleefd werd. Een mooi voorbeeld vormen de Engelse televisiedocumentaires over de geschiedenis van de twintigste eeuw, waarin het bekende 'macro'-verhaal voortdurend opzij wordt geschoven om plaats te maken voor de 'micro'-geschiedenis. Je ziet bijvoorbeeld Stalin die een bosje bloemen krijgt aangeboden van een klein meisje. Terwijl je aandacht zich automatisch richt op wat er in de geest van de dictator omgaat, richten de makers van de documentaire zich juist op het meisje met de ruiker. Ze blijkt inmiddels een oude vrouw en ze mag voor de camera haar verhaal vertellen, wat haar omstandigheden waren, wat ze voelde, hoe het verder met haar ging nadat ze Stalin dat bosje in zijn handen had geduwd. In haar relaas klinkt een stem door waarvoor in de officiële geschiedenis tot dan toe geen plaats was; de onpersoonlijke feiten worden verdrongen door het authentieke verhaal.

Dat idee, de eigen vertelling als wapen tegen een vervlakkende, en in laatste instantie dodelijke massaliteit, is ook in de kunst alomtegenwoordig. De nadrukkelijk grote thema's en modernistische abstracties zijn opzijgeschoven, utopie en ideaal in rook opgegaan; het wezen van het bestaan gaat schuil in de ongerijmdheid van de ervaring. Geen schrijver die in vraaggesprekken tegenwoordig niet de noodzaak van het zuivere vertellen benadrukt, geen schrijversfestival waarin niet de verhalende cultuur als ideaal bezongen wordt. In een verhaal, wordt steeds opnieuw gezegd, kun je wonen. Wat uit jezelf voortkomt, wat opgetrokken wordt uit de bouwstenen van je eigen allerpersoonlijkste ervaringen, en herinneringen, biedt onderdak in een wereld die aan de ene kant steeds homogener lijkt te worden, en anderzijds steeds ongrijpbaarder. Wat een mens tot mens maakt valt niet uit te drukken in abstracte filosofie. De individuele ervaring onttrekt zich aan de eenduidige ideologie. Je krijgt er pas een idee van wanneer je een frisse duik neemt in, om met Salman Rushdie te spreken, 'een zee van verhalen'.

Zo op het eerste gezicht lijkt er geen wezenlijk verschil te zijn tussen de gast met het vertrokken gezicht bij Paul Witteman aan tafel, Franks gewonde verteller, het relaas van het meisje met de bloemen voor Stalin en de literaire verhalenverteller op een Afrikaans verhalenfestival in de Amsterdamse Balie. In alle vier de gevallen bezit het verhaal een onmiskenbare morele dimensie. Het heeft de kracht van een 'survival kit', zoals Frank het in zijn boek noemt; het is een weermiddel tegen verwoestende krachten van buitenaf, tegen de ideologie, de onmenselijke abstractie, de verwoestende algemeenheid van de global village. Het verhaal is een fiool met een elixer waarin zich een zuiver menselijke essentie schuilhoudt.

LIJDENSVERHAAL

Zo lijkt het, en zo kan het ook zijn. Toch bekruipt je een ongemakkelijk gevoel wanneer je Franks verlossingsretoriek over je heen laat komen. Want retoriek is het: geen verhaal kan ziekte en dood ongedaan maken. Dat beweert Frank ook niet letterlijk, maar het lijdensverhaal is bij hem zaligmakend geworden; in wereldse termen weliswaar, en juist daar wringt de schoen. Verzette Susan Sontag zich twintig jaar geleden in haar essay Illness as Metaphor nog tegen de beeldspraak die ziekten als iets wezensvreemd, als het bedreigende Andere, neerzette, Frank laat zien dat de rollen inmiddels radicaal zijn omgedraaid: zijn beeldspraak is er niet alleen op gericht het fysieke en geestelijke lijden tot iets eigens te maken, hij gaat veel verder, het lijden is iets dat gekoesterd moet worden. Plat gezegd, je voelt je goed omdat je je zo beroerd voelt. De wond mag zich nooit meer sluiten. Ziekte valt samen met identiteit.

Het verhaal dat daarbij past, kan alleen maar eenduidig zijn. Niet alleen geeft het vorm aan de werkelijkheid, het moet ook de enige werkelijkheid zijn. Anders gezegd, de inhoud ervan is ideologisch bepaald. Daarin schuilt ook het verraderlijke van het therapeutisch vertellen: het kan ongetwijfeld bevrijdend werken, maar het is valse retoriek om het verhaal zelf als een bevrijding voor te stellen. De menselijke ervaring, of de ervaring van één mens, laat zich niet vangen in één verhaal; wie daarin gelooft, zoals Frank, zoals talloze lezers en kijkers die uit zijn op herkenning in andermans waargebeurde verhalen, snoert zichzelf in in het korset van de enkelvoudigheid. Ze worden gevangen in trefwoorden. Het verschil tussen de grote ideologieën die de individualiteit verstikken enerzijds en het individu die zijn leven vastlegt in één enkele versie anderzijds, is dan opeens niet zo groot meer.

Er bestaan altijd meerdere versies. Ieder mens is een palimpsest, waarin de verschillende, elkaar veelvuldig tegensprekende versies elkaar overlappen. Mensen als Arthur Frank, en met hem zoveel therapeuten en programmamakers en uitgevers, die zich verzetten tegen één onpersoonlijke waarheid, stellen daar een volkomen subjectieve schijnwaarheid tegenover, die per definitie waar is omdat hij zo door de verteller zelf wordt ervaren. Maar ieder verhaal, hoe authentiek ook, blijkt in laatste instantie verzonnen - simpel en alleen omdat het door mensen verteld wordt. Als Nietzsche gelijk heeft en alles in ons bestaan interpretatie is, dan is de verleiding groot om het persoonlijke verhaal als een bunker in te richten tegen alle versies die je van buitenaf dreigen te worden opgelegd. Dat kan heel lang een prettig gevoel geven, totdat je merkt dat je schuilplaats een gevangenis is geworden, waarin de buitenwereld niet meer doordringt.

WORTELS

Een mooi voorbeeld is de geschiedenis van Roots, de bestseller waarmee de schrijver Alex Haley in de jaren zeventig talloze zwarte Amerikanen in één klap wortels verschafte. Wat het verhaal van de uit Afrika weggevoerde slaaf Kunta Kinte zo aansprekelijk maakte, was de vermeende authenticiteit ervan; paradoxaal genoeg konden juist daarom zoveel mensen dat verhaal tot het hunne maken. Plotseling waren zij allemaal personages geworden. In een verhaal dat waar gebeurd was: tot op de dag van vandaag ontvangt in een hut ergens in Zambia een gerimpeld vrouwtje groepen Amerikaanse toeristen, die geloven dat zij de achterkleindochter van Kunta Kinte een hand geven. Alleen heeft deze beroemde slaaf nooit bestaan: Haley's monument voor de zwarte Amerikaanse identiteit is de afgelopen jaren langzaam maar afdoende gesloopt door critici. Wat moest doorgaan voor waar gebeurd, bleek fictie met ideologische trekjes. Toen een Engelse televisiedocumentaire een paar maanden geleden definitief afrekende met iedere aanspraak op authenticiteit van Roots, beschuldigde een zwarte journalist in The Independent de overwegend blanke filmmakers en critici er impliciet van afbreuk te willen doen aan de verschrikkingen van de slavernij. Een even pijnlijke als veelzeggende omdraaiing: het is Haley geweest die een verhaal voor de waarheid heeft willen laten doorgaan, en zijn lezers hadden de behoefte zijn verhaal als identiek met de geschiedenis van de slavernij te zien. Voor hen wàs Roots de slavernij geworden, hun eigen idee van hun achtergrond. Wie zo'n verhaal van kanttekeningen wil voorzien, bedreigt de identiteit van mensen die het verhaal als het hunne beschouwen. Zij wonen immers in dat verhaal.

Ook het persoonlijke verhaal leent zich voor ideologie, ook de nadrukkelijke subjectiviteit van de menselijke ervaring kan vertaald worden in een dictaat aan de werkelijkheid. Dat maakt die klakkeloze en ongeremde lofzang van veel schrijvers op de spontane vertelkunst zo ergeniswekkend. Vrijwel nooit geven zij zich rekenschap van de schaduwzijde: de menselijke neiging om het persoonlijke tot het algemene te maken, het subjectieve tot de enige waarheid, verbeelding tot onwrikbare werkelijkheid.

Wanneer sturende zekerheden als geloof en ideologie wegvallen en je in een versnipperde wereld je eigen werkelijkheid dient te scheppen, is de verleiding groot om geschiedenissen van anderen tot leidraad te nemen, die persoonlijke verhalen als een lichtend voorbeeld te zien - of het nu gaat om Kunta Kinte of prinses Diana, het maakt niet uit, zo lang ze maar een lijdend lichaam hebben waarmee je je kunt vereenzelvigen. Het is datzelfde verlangen dat mensen van de kunst een steeds hoger werkelijkheidsgehalte doet eisen, als waarmerk van authenticiteit, en van de kunstenaar dat hij zijn eigen, ongetwijfeld gewonde, lichaam zal tonen. Maar verhalen die zich niet van hun eigen fictieve aard bewust tonen, van het feit dat ze slechts één versie uit talloze zijn, ontkennen juist de oneindige verscheidenheid van de menselijke ervaring, de tragische tegenstrijdigheden van het bestaan.

Wonen in een verhaal? Dat kun je pas wanneer je weet dat die behuizing onvermijdelijk tijdelijk is. Er zal steeds weer verhuisd moeten worden. En ieder moment kan er een orkaan opsteken.