Het laatste restje licht van de wereld; De hoge-druk-foto's van Eric Hamelink

Sinds fotograaf Eric Hamelink anderhalf jaar geleden te horen kreeg dat hij kanker heeft, is hij bezig alle veranderingen in zijn leven fotografisch vast te leggen. “Dat dit werk desondanks niet benauwt, komt doordat Hamelink het de kijker gunt te ontsnappen in schoonheid.”

De tentoonstelling 'Bigger than life' van Eric Hamelink is te zien in de OVruimte/Westergasfabriek, Amsterdam. Vrijdag 21/11 t/m maandag 24/11 12.00-17.00 u. Opening 21/11 17.00 u.

Thuis heb ik een Mexicaans kijkkastje van triplex. Het is even groot als een flinke schoenendoos en feestelijk fel van kleur: rood, geel, blauw, lichtblauw, cyclaamroze, groen, een toefje oranje. Binnenin zitten en staan figuurtjes, beschilderd als geraamtes, rond een doodskist geschaard waarin net zo'n skeletje ligt. Door aan een ijzeren hendeltje aan de zijkant van het kastje te draaien kun je de geraamtes laten bewegen. Het skeletje schiet rechtop, de anderen heffen juichend hun armpjes op: hoera! Nog een keer draaien en de dode valt weer achterover, de armpjes van de anderen zakken, het gejuich verstomt. Opnieuw! Dood. Levend. Dood. Levend. Dood! Spelen dat je almacht bezit over andermans leven en dood verveelt nooit. Zo'n controle heb je gewoonlijk alleen over je eigen leven. Of je zou uit moorden moeten gaan.

Vroeger fantaseerde ik er vaak over wat ik zou doen als ik te horen zou krijgen dat ik doodging. Ik bedacht dat ik dan eerst nog even een of andere rotzak zou vermoorden. Het liefst had ik Adolf Hitler vermoord maar die was al dood. Dus moest het Idi Amin maar worden al woonde die wel heel erg ver weg. Maar dodelijke ziektes bleven uit, dus kwam het er nooit van. Toch is het vreemd. Elke dag krijgen mensen te horen dat ze binnenkort zullen gaan sterven en nooit is er eens iemand die Saddam Hoessein of een andere wreedaard vermoordt. Genoeg terminale patiënten in Irak en elders, zou je toch denken. Maar misschien hebben mensen die doodgaan gewoon wel iets beters te doen. Of sterven ze graag zonder bloed aan hun handen, dat kan ook.

Anderhalf jaar geleden kreeg de fotograaf Eric Hamelink (1964) te horen dat hij een hersentumor had. Kanker. Opgegeten worden door je eigen cellen. Kamagurka omschrijft in een van zijn cartoons kanker naast andere opmerkelijke aandoeningen als smeltbuik, borstarmpje en schaduweczeem als 'een onschuldige kinderziekte die echter dodelijk wordt zodra men hem ontdekt'.

Hamelink, die tot die tijd zijn - sporadische - vrije werk combineerde met opdrachten voor ondermeer het Haags Gemeentemuseum en tijdschriften als Elle en Quote, besloot zich in de wellicht schaarse tijd die hem restte op dat vrije werk te richten. Door de operaties die elkaar in rap tempo opvolgden was hij ook fysiek niet meer bestand tegen de druk van het werken in opdracht. Dit klinkt allemaal logisch en vanzelfsprekend, maar een afgerond verhaal over iemands leven en werk vertellen grenst aan het vertellen van een leugen. De werkelijkheid is daar te weerbarstig voor, te morsig ook. Vooral dat. Morsig. Bestraald worden, verlamd raken en ziekenhuiseten vallen definitief onder morsig.

Hoge druk

Het was dus een kunstenaarschap dat zich onder hoge druk ontwikkelde. In april van dit jaar toonde Hamelink bij galerie 2.5 x 4.5 in Amsterdam hiervan het resultaat: een serie foto's, kleine sobere zwart-wit beelden die een ingehouden verslag vormden van de veranderingen die zijn leven had ondergaan. Ingehouden, nooit morsig.

Wat je zag was een tros ballonnen aan een Brusselse gevel, beschenen - zo leek het - door het laatste restje licht van die dag, misschien ook het laatste restje licht van de wereld, het beeld vollopend met zwart. Een reuzenrad op de kermis als bewegende reuzenneonsculptuur. Iemand die een witte onderbroek wast in een riviertje, het wit een hap uit het zwart. Iemand, waarschijnlijk een vrouw, die een trouwjurk tegen haar borst klemt alsof ze hem wil passen, een oudere man vervaagd op de achtergrond. Een goudvis die gestrand lijkt. Iemand, een vrouw, in bad, het licht valt op haar rug alsof het zwaarder is dan het donker waarin de foto grotendeels baadt. Een foto van de fotograaf zelf terwijl hij bestraald wordt, hij draagt een perspex masker. Lijkt wel een omgekeerde ruimtevaarder, een ruimtevaarder in eigen hoofd. Het profiel van twee mensen, of van een mens en zijn weerspiegeling, neuzen wit, bovenlippen half zwart weggegeten. Een hondje dat op de fotograaf afspringt, een spierwit hondje is het, dat het duister om zich heen definieert. De foto's zijn gemaakt door zwartwit- maar ook kleurenfoto's opnieuw te fotograferen met een technische camera. Zo kan de scherpte van het beeld gemanipuleerd worden. Soms, zoals bij het hondje, is de foto ook nog eens door een glazen fles heen gefotografeerd, wat een merkwaardig verwrongen beeld oplevert. Het zijn beelden die zich aan de tijd lijken te onttrekken. Dat is natuurlijk iets wat elke fotograaf doet, beelden aan de tijd onttrekken, er zijn nu eenmaal miljoenen momenten en een fotograaf kiest daarvan die handvol die hij of zij als eigen herkent. Dat is misschien ook een verschil tussen foto's en kiekjes, kunst en geklungel, dat kiekjes de tijd berenbenauwd vastklemmen tussen al die moeizame hoogtepunten als verjaardagsfeestjes, uitstapjes naar pretparken, kerstdiners of eindexamen doen. De klungelige anti-esthetiek van kiekjes is overigens een grote bron van inspiratie voor veel jonge fotografen. Het spelen met de mogelijkheden die amateurkiekjes bieden schept ruimte voor een minder academische benadering van de fotografie, misschien is het meteen ook een aanwijzing dat fotografie als kunstvorm volwassen geworden is. Het snapshot lijkt voor de moderne fotografie te zijn wat de kindertekening, de art brut voor de schilderkunst in de jaren vijftig betekende: een uiterst vitale impuls.

Wentelende wereld

Het klinkt paradoxaal dat je je aan de tijd kunt onttrekken door hem vast te leggen, maar kunst is erg bij zulke paradoxen gebaat, vind ook T.S. Eliot als hij het in het gedicht Burnt Norton uit de verzenbundel Four Quartets heeft over 'At the stillpoint of the turning world. Neither flesh nor fleshless; Neither from nor towards; at the stillpoint, there the dance is, But neither arrest nor movement.' Op het roerloze punt van de wentelende wereld, daar is juist de dans!

Door de vertaler wordt het gedicht overigens op zo'n manier uitgelegd dat je het opeens helemaal niet meer begrijpt. Misschien kun je er beter een foto van maken. Van een gevloerde goudvis. Of een springend hondje. Een meisje in bad. Een trouwjurk waarin misschien nog nooit iemand gedanst heeft. 'And do not call it fixity, Where past and future are gathered' houdt Eliot stand.

In vervolg op dit werk maakte Hamelink een stuk of tien kleine kleurenfoto's die in september op de fotomanifestatie Noorderlicht in Groningen te zien waren. Ditmaal ondergingen de foto's geen verdere bewerking. Ook inhoudelijk zijn ze directer dan het voorgaande werk. Het zijn allemaal zelfportretten. Sommige zijn gemaakt door zijn vrouw, Yvonne de Wilde, die hem bij zijn werk helpt en adviseert.

Verborgen achter een douchegordijn zie je het silhouet van iemand die in een stoel onder de douche zit. Een andere foto toont een uitsnede van een onderlichaam in dezelfde stoel zonder zitting, naast een rumoerig bedrukt bedovertrek geplaatst, het topje van het geslacht van de man nog net zichtbaar tussen zijn dijen. Een foto van een gezicht opgezwollen door medicijngebruik. Een aantal foto's maakte Hamelink zelf, vanuit zijn rolstoel, in de namiddag, met een eenvoudig automatisch toestelletje waarvan de sluiter door het gebrek aan licht in die namiddag heel lang bleef openstaan. Terwijl de rolstoel rolde, zodat de beelden bewogen zijn, fotografeerde hij de bomen en de lucht, op de foto zie je niets dan lichtvlekken, groene beweging. Een foto van zijn benen, voeten in bootschoenen, terwijl de rolstoel rijdt, bewogen asfalt. Een foto trefzeker over zijn schouder gemikt (die nog net zichtbaar is in een hoekje) van de smalle hand van zijn vrouw die de rolstoel voortduwt. Zij draagt een corduroy-jasje. Haar benen, gezien vanuit het schouderperspectief van de cowboy in de rolstoel, lijken even heel vreemde dingen, maar de hand, de gewone corduroy-arm winnen.

Dat Hamelink zijn persoonlijke leven tot onderwerp van zijn werk maakt is niet ingegeven door zijn ziekte. Het is geen slachtofferkunst. Voordat de ziekte zich aandiende, opdrong, fotografeerde hij net zo monomaan alles wat er in zijn directe omgeving, zeg maar thuis, afspeelde. Hij maakte grote foto's van zichzelf en zijn vriendin terwijl ze vreeën. Ook een serie, 'tekens' genaamd, van overblijfselen van menselijk bestaan, reusachtig uitvergroot; de haren van een geliefde achtergebleven in haar haarborstel, de plastic handschoen waarmee ze heur haar met henna geverfd heeft, strak gefotografeerd als een huiveringwekkend stuk huid, een lichtverfrommeld Fatima's handje.

Confronterend

Als kunst en leven elkaar zo direct raken is dat confronterend voor de toeschouwer, maar zeker ook voor de maker zelf. Levensvoorwaarden die veranderen, een liefde die geen stand bleek te kunnen houden, een lichaam dat door de ziekte een bijna onherkenbare verandering onderging: de camera legt het allemaal genadeloos vast, er lijkt geen ontsnapping mogelijk.

Dat dit werk desondanks niet benauwt, komt doordat Hamelink het de kijker gunt te ontsnappen in schoonheid. Wat hij doet is gewone dingen en gebeurtenissen die iedereen dagelijks om zich heen kan zien opladen met zijn blik waardoor ze niet hun gewoonheid verliezen maar waardoor die gewoonheid juist gaat glanzen. Zo dicht bij huis. Zo gewoon. En toch zo mooi.

Door Hamelinks tijdnood volgen de ideeën en foto's elkaar als razenden op. Voor de tentoonstelling in de Westergasfabriek maakt hij een nieuwe serie 'tekens', ditmaal van restanten van zijn ziekenhuisperiode, koel geregistreerd met de technische camera die hij ook voor zijn reclamewerk gebruikte.

Een stapeltje glazen met Hamelinks naam met viltstift erop geschreven. De pleister die zijn hoofdwond afdekte. Vier naambandjes. Wat moet je met een foto van 80 x 100 van een aantal losse hechtingdraadjes? Niet zo gewoon, zulke draadjes, wel vreemd, toch mooi, denk je. In zijn laatste notitieboekje schrijft Hamelink dat zijn leven is veranderd, maar toch gelijk gebleven, en: 'alles went, zelfs kanker'. Zou doodgaan ook kunnen wennen?

Thuis heb ik een boek met negentiende-eeuwse foto's van dode mensen, Amerikanen, vooral kinderen. Kinderen stierven graag en veel in die tijd. De meesten zijn helemaal opgedoft, sommigen zitten erbij alsof ze nog leven, met open ogen. Achterin staat dat de overlijdensfoto's vaak de enige gelijkende portretten waren die nabestaanden van hun kinderen hadden, daar in de begintijd van de fotografie de belichtingstijden extreem lang waren en kleine kinderen immers niet zo lang konden stilzitten. Pas na hun dood zaten ze lang genoeg stil. De fotografen adverteerden met de slogan SECURE THE SHADOW, ERE THE SUBSTANCE FADE.

ERE THE SUBSTANCE FADE. Met een beetje fantasie kun je in gefotografeerde mensen altijd wel - in elk geval toekomstige - lijken zien. Op foto's is het leven immers tijdelijk stilgelegd. Maar met een knippering van je ogen komen ze weer tot leven. Een mooi spel.

Sinds Eric Hamelink met zijn werk naar buiten treedt zijn de reacties boven verwachting. Hij verkocht een groot aantal foto's, ontving een werkbeurs van het Fonds voor de Kunst en er verschenen lovende artikelen in kranten en tijdschriften.

Hamelink zelf zegt wel eens te betwijfelen of die reacties wel echt worden ingegeven door de foto's, of dat zijn persoonlijke omstandigheden er toch ook een belangrijke rol in spelen. Sommige mensen worden nu eenmaal helemaal sentimenteel van het feit dat een ander doodgaat. Maar misschien is het niet nodig om zulke, zeer menselijke, beweegredenen streng te scheiden van het kijken naar kunst. Bij Hamelink vloeien kunst en leven ook zozeer in elkaar over dat het onderscheid trouwens bijna niet meer te maken is. En eigenlijk zijn er zoveel verschillende manieren om naar een kunstwerk te kijken, dat maar één ervan de juiste kan zijn, is gewoon een boekhoudersgedachte. Als je koude voeten hebt kijk je al anders naar een kunstwerk. Of open zweren. (Het zijn maar voorbeelden). Andersom kan het leven ook grote invloed op de kunst hebben. Ooit ben ik er door lang en volhardend staren in geslaagd een schilderij van Willem de Kooning in het Stedelijk Museum buikpijn te bezorgen. Opgelucht verliet ik het museum.

In de meest recente foto's die Hamelink heeft gemaakt, een aantal grote zelfportretten in kleur, toont hij de abrupte veranderingen die zijn lichaam in korte tijd heeft moeten ondergaan. De portretten zijn rauw en direct. Anders dan in het voorgaande werk is het hier voor de toeschouwer minder eenvoudig gemaakt om in schoonheid te ontsnappen. Je ziet wat je ziet: een lichaam dat op het punt staat het te begeven. Alsof Hamelink heeft willen zeggen dat er voor hem óók geen ontsnapping meer mogelijk is. Dat het leven er bijna op zit. En dat het begeven van zijn lichaam tevens het opgeven van de kunst zal betekenen.

Voorlopig is het nog niet zo ver. Van Bill Arnold, een Amerikaanse fotograaf met wie hij tijdens Noorderlicht exposeerde heeft hij een goede camera toegestuurd gekregen die hij met één hand, dus zelf, kan bedienen. Hij fotografeert aan één stuk door alles om en nabij huis. Dat huis verlaat hij nog maar zelden. In het oktobernummer van Z, de Amsterdamse daklozenkrant, merkt de thuisloze Olivier op dat 'kunst het ritueel van het levenwekkende is'. Ook wil hij dat er meer gelijkheid in de wereld komt.

Meer gelijkheid in de wereld. Kunst als ritueel van het levenwekkende. Je aan de tijd onttrekken door hem vast te leggen. Het vooral geen verstarring noemen. Het ook maar geen heldendaad noemen. Zelf schreef Hamelink er een tijdje geleden over: Het is raar, hoe ernstiger de situatie, hoe minder ik te vertellen heb, alleen in beelden extra veel en die worden beter. (Onzin) heeft hij er vet onderstreept achter geschreven. Het ook maar geen onzin noemen.

    • Pam Emmerik