Franse literaire prijzen; Napoleon, Blauwbaard en Pétain

De rol van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog staat, ook in boekvorm, nog volop ter discussie. Maar de Prix Goncourt, Frankrijks oudste literaire prijs, ging deze week toch nog naar een roman over Napoleon.

Patrick Rambaud: La bataille. Grasset, 302 blz. ƒ 46,45 (prix Goncourt) Pascal Bruckner: Les voleurs de beauté. Grasset, 292 blz. ƒ 53,75 (prix Renaudot) Lydie Salveyre: La compagnie des spectres. Le Seuil, 188 blz. ƒ 42,15

Enkele minuten nadat Patrick Rambaud de Prix Goncourt had ontvangen voor zijn boek La bataille, vertelde hij in Café de Flore dat zijn boek 'gaat over de eerste mislukte veldslag van Napoleon in 1809, die dertig uur duurde en waarbij veertigduizend doden vielen. Dat is één gesneuvelde per drie seconden. Het lijkt op wat zich recent in Rwanda afspeelde. Misschien hebben ze me daarom die prijs wel gegeven.'

Rambaud toonde zich verrast over zijn bekroning, omdat de roman twee weken geleden al de Grand Prix du Roman de l'Académie française ontving. Er waren bovendien meer interessante genomineerden voor Frankrijks oudste literaire prijs. Jacques-Pierre Amette en vooral Marc Lambron schreven mooie boeken over een onderwerp waar heel Frankrijk het nu over heeft: de Tweede Wereldoorlog en de collaboratie van het Vichy-regime. Amette beschreef in Les deux léopards hoe jeugdherinneringen aan een door de oorlog verwoest Normandië het leven van een vrouw blijvend beïnvloeden. Het boek 1941 van Lambron geeft een gedetailleerd beeld van de diplomatieke intriges binnen Vichy, het hoofdkwartier van maarschalk Pétain.

Dit najaar verscheen een hele reeks romans over dit onderwerp. In hun werk vroegen de schrijvers zich openlijk af wat hun grootouders eigenlijk deden tijdens de oorlog, welke keuzes zij maakten. Wat zij nooit of nauwelijks hardop hebben uitgesproken werd door hun kleinkinderen verbeeld, verzonnen en emotioneel herbeleefd. Het boek dat met kop en schouders boven de andere uitstak, La compagnie des spectres van Lydie Salveyre, werd tot nu toe voor alle grote literaire prijzen genomineerd zonder nog daadwerkelijk te worden bekroond.

Zeker, haar personages zijn fel, vol heftige gevoelens en zij nemen geen blad voor de mond als het gaat om weinig roemrijke momenten uit Frankrijks geschiedenis. Salveyre is bijtend in haar cynisme en snijdend in haar humor. In de eerste tien bladzijden slaat zij de lezer daarmee knock-out om hem daarna, wat voorzichtiger, maar zonder ontsnappingsmogelijkheid mee te voeren in haar verhaal. In haar roman krijgen een moeder en haar dochter bezoek van een deurwaarder die de inventaris komt opmaken, omdat zij de huur van hun appartement niet meer kunnen betalen. Het vormt de aanleiding tot het hartverscheurende relaas van de moeder die, door traumatische gebeurtenissen in het jaar 1943, daarna eigenlijk geen normaal leven meer heeft kunnen leiden. In de deurwaarder ziet zij een spionerende handlanger van Pétain, wiens naam zij steevast verbastert tot Putain (hoer). Het contrast tussen de emotieloze handelingen van de onverstoorbare deurwaarder en de heftige uitbarstingen van de twee vrouwen, maken dit vijfde boek van Lydie Salveyre, die van beroep psychiater is, tot een knappe roman waarin tragedie en komedie op hetzelfde koord balanceren.

Van een heel ander kaliber is de tragedie die Patrick Rambaud (51) beschrijft in zijn nu met de Goncourt bekroonde boek La bataille. De schrijver, die zo'n vierentwintig titels publiceerde, dankt zijn bijnaam 'Rambo des lettres', aan zijn voorkeur voor pastiche en parodie. Met Roland Barthes sans peine schreef hij een zogenaamde handleiding voor ieder die het werk van deze beroemde filosoof niet begreep, terwijl hij eveneens de auteur is van het boek met de ironische titel 'Lijkredes van politieke waardigheidsbekleders die hun tijd hebben gehad maar dat gewoon negeren'. Virginie Q. en Mururoa mon amour zijn parodieën op het werk van Marguerite Duras.

Ook het idee voor La bataille is niet rechtstreeks ontsproten aan het brein van Rambaud, maar is, zo stelt de auteur in zijn nawoord, oorspronkelijk een nooit uitgevoerd plan van de negentiende-eeuwse schrijver Honoré de Balzac. In een brief aan zijn vriendin Madame Hanska zou Balzac zijn plan hebben ontvouwd voor een roman over 'alle verschrikkingen en alle schoonheid van een slagveld: mijn slag wordt die bij Essling. Op de eerste pagina bulderen de kanonnen en pas op de laatste zullen ze zwijgen. Als u het boek uit zult hebben, zult u zich het slagveld herinneren alsof u er zelf bij was.'

Het gaat misschien wat ver te stellen dat Rambaud zijn boek à la Balzac heeft geschreven. Dat hij ernaar streefde om zijn historische roman zo waarheidsgetrouw mogelijk te laten zijn, blijkt niet alleen uit de indrukwekkende literatuurlijst achterin, maar ook uit de veelheid aan beschrijvende details, waar het ook in Balzacs werk niet aan ontbrak.

De slag bij Essling, waarbij de legers van Napoleon de Oostenrijkers bevochten, had plaats op 21 en 22 mei 1809. Vanuit het in de Donau gelegen eiland Lobau liet Napoleon, met behulp van gammele, houten boten zijn troepen de rivier oversteken. Heel precies beschrijft Rambaud hoe de verkenners, de jagers en de officieren aan de andere oever een bloedbad tegemoet gingen. Het eerste, volgens Rambaud, in een lange reeks van slachtingen die uiteindelijk zouden leiden tot de definitieve ondergang van Napoleon, zo'n vijf jaar later. In 1809 is de machtige veldheer al niet meer de gedreven, vechtlustige leider van zijn jonge jaren. Vlak na het drama bij Essling vraagt hij, onverschillig voor al het bloedvergieten, naar de hem ontschoten naam van het plaatsje dat hij heeft aangewezen voor zijn volgende veldslag: 'Wagram, Sire', luidt het antwoord.

La bataille is een consciëntieuze documentaire over het eerste scheurtje in het glanzende emaille van een tijdperk dat door de meeste Fransen als glorieus wordt beschouwd. De toevoeging 'roman' lijkt me minder op zijn plaats, aangezien zelfs de hoofdpersonen nauwelijks inhoud krijgen en bijvoorbeeld een liefdesgeschiedenis tussen een Franse kolonel en een Weens meisje verstoken blijft van enig geloofwaardig sentiment.

Zoals vorige week beide prijswinnaars afkomstig waren van uitgeverij Gallimard, zo publiceerden de laureaten van deze week hun boeken beiden bij Grasset.

Pascal Bruckner (49) kreeg de Prix Renaudot voor zijn filosofische fabel Les voleurs de beauté. Als schrijver van romans en essays met titels als Le nouveau désordre amoureux, La tentation de l'innocence en Lunes de fiel heeft Bruckner het imago van de eeuwig jonge, briljante Franse filosoof die over alle thema's van de moderne maatschappij zijn zegje weet te doen. De gebeurtenissen van mei '68 zijn voor hem van doorslaggevende betekenis geweest, hoewel hij er wel enige afstand van heeft genomen. Over Le corps de chacun appartient à tous (1975) bijvoorbeeld, zijn eerste boek en tevens zijn proefschrift, zegt hij nu dat het 'een krankzinnig pleidooi was voor een totale vrijheid in de liefde, waarbij iedereen - jong, oud, mooi en lelijk - recht zou hebben op verlangen en seksueel plezier.'

Toch grijpt Bruckner in zijn bekroonde roman in zekere zin terug op deze gedachte. In een buitenissige, maar spannende intrige zet een moderne Blauwbaard, geassisteerd door zijn echtgenote, jonge, mooie vrouwen gevangen in een chalet in de Jura, waar zij, afgesneden van de buitenwereld, binnen korte tijd verwelken. Hij wil hen straffen voor hun oogverblindende schoonheid, waarmee ze anderen, begiftigd met een minder begerenswaardig uiterlijk, tot jaloezie, wanhoop en zelfs tot waanzin kunnen drijven.

Enerzijds zou je Les voleurs de beauté kunnen beschouwen als een bizar product van een verdorven geest, uit de school van Edgar Allan Poe. Anderzijds steekt het boek de draak met de cultus van schoonheid, van het slanke lichaam, van de eeuwige jeugd die ons door het huidige modebeeld wordt opgedrongen. En dat is, volgens Pascal Bruckner, minstens zo bizar.

    • Margot Dijkgraaf