Er viel niet veel te willen; De opbouw van de Collectie Nederland

De regel was duidelijk. Wie in de oorlog onder dwang kunstwerken aan de Duitsers had verkocht kon die na de oorlog terugkopen. De kunst die vrijwillig was verkocht verviel aan de Nederlandse staat. De Stichting Nederlands Kunstbezit heeft te vaak besloten dat een verkoop vrijwillig was. “Het paste in het streven om Nederland met een aanzienlijke kunstcollectie ter verrijken.” Dit is de derde aflevering van een serie over de Duitse kunstroof en de moeilijkheden bij de recuperatie en de teruggave van de kunstwerken in Nederland.

Het leek zo eenvoudig. Nederlanders die tijdens de oorlog kunstwerken aan de Duitsers verkochten, hadden dat uit eigen vrije wil gedaan of onder dwang. Omdat alle transacties met de Duitsers aan het begin van de oorlog door de Nederlandse regering in ballingschap onwettig waren verklaard, vervielen de vrijwillig verkochte kunstwerken na de oorlog aan de staat.

Vaak was het ook werkelijk zo eenvoudig. De erfgenamen van het echtpaar Kröller-Müller verkochten in 1942 het schilderij Klaprozenveld (1890) van Vincent van Gogh vrijwillig aan dr. Eduard Plietzsch, een medewerker van de Dienststelle Mühlmann die was opgericht om in Nederland zoveel mogelijk waardevolle kunstwerken voor Hitler en andere hoge nazi's te verwerven. Nadat de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) het Klaprozenveld uit Duitsland had gerecupereerd was het Nederlands staatsbezit. Het schilderij ging niet terug naar het museum Kröller-Müller - waar het voor de oorlog als bruikleen had gehangen - maar het werd toegewezen aan het Haags Gemeentemuseum, dat het nu nog altijd heeft. Van Goghs Brabantse vrouw, in de oorlog door kunsthandel Buffa verkocht aan Galerie Valentien in Stuttgart, hangt nu in het Noordbrabants Museum. Zo zijn er veel voorbeelden van kunstwerken die door particulieren of kunsthandelaren vrijwillig aan de Duitsers zijn verkocht, na de oorlog werden teruggevonden en toen regelrecht in het bezit kwamen van het rijk.

Maar soms lag het helemaal niet zo eenvoudig. De Amsterdamse kunsthandel P. de Boer verkocht tijdens de oorlog zo'n 300 schilderijen aan de Duitsers. Na de oorlog deed hij bij de SNK keurig aangifte van deze verkopen, maar hij liet in het midden of ze vrijwillig waren gesloten of onder dwang. Op het aangifte-formulier streepte hij bij het hoofdje Is door confiscatie, diefstal, gedwongen of vrijwillige verkoop in het bezit gekomen van: de woorden confiscatie, diefstal, gedwongen of vrijwillige door, zodat er alleen nog maar 'verkoop' stond. Zoals Adriaan Venema in zijn boek Kunsthandel in Nederland 1940-1945 (1986) uiteenzet, heeft De Boer met zijn kunstverkopen aan de Duitsers zeker zes en waarschijnlijk meer dan twintig joden het leven gered. De Boer vond dat hij onder de dwang der omstandigheden had verkocht. Maar de SNK ging er zonder meer van uit dat de verkopen vrijwillig waren geweest. De door De Boer verhandelde kunst die na de oorlog is gerecupereerd werd door de SNK dan ook meteen overgedragen aan de Nederlandse staat.

Een kunsthandelaar als De Boer leed hierdoor overigens geen schade. De Duitsers hebben over het algemeen redelijk betaald voor hun aankopen bij kunsthandelaren. Juist door de Duitse belangstelling voor Nederlandse meesters bloeide de kunsthandel in de oorlog weer op, na de schrale jaren dertig. Maar er waren ook handelaren en particulieren die wel gedupeerd raakten doordat de SNK hun verkopen aan de Duitsers als vrijwillig beschouwde. Voor joden die aan de Duitsers hebben verkocht, is dit bovendien pijnlijk geweest.

Dr. A.J. van der Leeuw, die van 1948 tot 1981 als wetenschappelijk medewerker verbonden was aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, zegt hierover: “In het begin van de oorlog, in 1940 en '41, zijn er grote transacties geweest tussen joodse kunsthandelaren en Duitsers. De SNK zag dit als vrijwillige transacties. In hoeverre dat werkelijk het geval was, is moeilijk vast te stellen. Als een Duitser je winkel binnenkwam, stond je niet sterk. Helemaal niet als die Duitser in uniform was. Dan viel er voor zo'n joodse handelaar weinig te willen.”

Functie-verstrengeling

Als kunsthandelaren of particulieren na de oorlog bij de SNK opgaven dat ze een kunstwerk 'gedwongen' hadden verkocht, moesten ze de uitgeoefende dwang kunnen bewijzen. Alleen als dat lukte, kon men het kunstwerk bij de SNK terugkopen tegen de prijs die de Duitsers er in de oorlog voor hadden betaald. Maar meestal viel die dwang niet te bewijzen.

In een tv-documentaire over de Duitse kunstroof, Die groe Parade uit 1986 (Hans Keller e.a.), was een kort gesprekje opgenomen met de kunsthistoricus D.F. Lunsingh Scheurleer die van 1948 tot 1952 onderdirecteur was van de SNK. Een fragment: Lunsingh Scheurleer: “Als iemand kon aantonen dat hij iets onder dwang had verkocht, kon hij een claim indienen en het terugkopen.”

Interviewer: “Was dat aantonen moeilijk?”

Lunsingh Scheurleer: “Dikwijls liep het verkeerd voor degenen die een claim indienden.”

De SNK zag er een Nederlands belang in om zoveel mogelijk kunstverkopen uit de oorlog als 'vrijwillig' aan te merken. Het paste in het streven om Nederland met een aanzienlijke kunstcollectie te verrijken. Net als in Frankrijk wilde men hier beschikken over een 'mobilier national', een rijkskunstcollectie. De stroom kunstwerken die uit Duitsland werd teruggevoerd bood een mooie kans voor het aanleggen van zo'n verzameling. In 1949 werd de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen opgericht, het huidige Instituut Collectie Nederland, die het beheer kreeg over de nieuwe rijkscollectie.

Achteraf bezien is het moeilijk te begrijpen dat D.F. Lunsingh Scheurleer, de onderdirecteur van de SNK, in 1949 ook benoemd werd tot directeur van de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstcollecties. Deze functie-verstrengeling zal de onpartijdigheid van de SNK niet hebben bevorderd.

Bij de aangiftes van naar Duitsland gevoerde kunstwerken die door de SNK zelf zijn ingevuld - aan de hand van administraties van kunsthandels, banken en veilinghuizen - is vaak al te voorbarig 'vrijwillige verkoop' aangekruist. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de kunstwerken uit de collectie Goudstikker, die in 1940 door Alois Miedl aan Göring en Hitler waren verkocht. Miedl had zich ingedrongen in de kunsthandel van Jacques Goudstikker nadat die op de boot naar Engeland om het leven was gekomen. Goudstikkers weduwe had uit Canada nadrukkelijk laten weten dat ze geen toestemming gaf voor de verkoop van de collectie, maar Miedl liet die toch doorgaan. In 1944 was Miedl naar Spanje gevlucht en de SNK moest de aangifteformulieren voor de naar Duitsland verkochte kunstwerken uit de Goudstikker-collectie zelf invullen. 'Vrijwillige verkoop' staat daarop. Nu had Miedl ze inderdaad vrijwillig verkocht, maar hij was niet de eigenaar. Dat was Goudstikkers weduwe en zij had haar toestemming geweigerd. Wat haar betrof was de verkoop dus allerminst vrijwillig geweest. Maar het lukte haar niet om de gerecupereerde kunstwerken uit de collectie weer in haar bezit te krijgen.

Een minder bekend voorbeeld is de verkoop aan de Duitsers van de collectie Lanz. Over de geschiedenis van deze verzameling vroege Italiaanse schilderijen, beelden en meubelen schreef Henk van Os een meeslepend artikel in zijn bundel Een kathedraal voor de kunst (1996).

De Zwitserse chirurg Otto Lanz (1865-1935) kwam in 1902 naar Amsterdam waar hij benoemd was tot hoogleraar in de Heelkunde. Zijn hele leven was hij een hartstochtelijk verzamelaar van oude Italiaanse kunst. Toen hij in 1935 was overleden werd zijn wereldberoemde collectie van ruim 430 werken in bewaring gegeven aan het Rijksmuseum. Kort voor het uitbreken van de oorlog was de meeste kunst uit het Rijksmuseum geëvacueerd naar veiliger plekken, maar de collectie Lanz bleef om onduidelijke redenen achter. In augustus 1940 werd de collectie in tien zalen van het museum geëxposeerd. Kort daarna werd de weduwe van Lanz, die was teruggekeerd naar Zwitserland, benaderd door Andreas Hofer, de kunstinkoper van Göring. Maar niet alleen Göring aasde op de collectie. Ook de kunsthistoricus H. Posse, die op jacht was naar kunstwerken voor Hitlers Führermuseum, wilde de collectie Lanz zien te veroveren. Uiteindelijk won Posse. De weduwe Lanz zag in dat ze niet onder een verkoop aan Hitler uitkon en in april 1941 stemde ze toe. Ze deed dat 'met grote tegenzin', zoals Van Os schrijft. Volgens hem was het bedrag dat de Duitsers voor de collectie betaalden - 2 miljoen Zwitserse franken en 350 duizend gulden - 'veel te laag'. Er is wel onderhandeld, 'maar met het machtsmiddel van inbeslagname op de achtergrond', zodat de Duitsers 'ver onder de waarde konden betalen'. Van Os noemt de transactie 'een van de vele gedwongen verkopen die plaatsvonden in het kader van de grootscheepse kunstroof door de nazi's'.

De SNK had een andere visie. Op alle aangifteformulieren voor de kunstwerken uit de collectie Lanz vulde de SNK in 1946 'vrijwillige verkoop' in. De meeste werken zijn teruggevonden in de zoutmijn van Alt Aussee bij Salzburg, waar Hitlers kunstschatten waren opgeborgen. Vandaar werden ze via het Art Collecting Point in München naar Nederland gerecupereerd en door de SNK overgedragen aan de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen.

Toen de kinderen van Otto Lanz bij de SNK informeerden of het mogelijk was om enkele kunstwerken uit de collectie van hun vader terug te kopen, kregen ze van de SNK te horen dat alleen een aantal minder belangrijke stukken die de Nederlandse Staat niet wenste te houden en die daarom geveild zouden worden, voor zo'n terugkoop in aanmerking kwamen.

Gutmann

Een van de meest interessante rechtszaken die na de oorlog tegen de SNK zijn gevoerd, is de zaak Gutmann. Friedrich en Louise Gutmann, een joods echtpaar uit Heemstede, verkochten in 1941 en begin '42 hun hele kunstcollectie plus inboedel omdat ze naar familie in Italië wilden vluchten. Hun bezittingen gingen naar twee Duitse kunsthandelaren die Gutmann voor de oorlog al kende. Ook deze verkoop werd door de SNK als 'vrijwillig' beschouwd.

De Italiaanse familieleden hadden voor Friedrich en Louise Gutmann een visum bemachtigd. Op 26 mei 1943 zouden ze per trein via Berlijn en München naar Italië mogen reizen. Maar in Milaan stond hun dochter Lili hen vergeefs op te wachten. Haar ouders waren in Berlijn door de SS uit de trein gehaald. Ze werden naar een concentratiekamp gedeporteerd en kwamen later in de oorlog in Auschwitz en Theresiënstadt om het leven.

Lili Gutmann wilde na de oorlog een aantal kunstwerken van haar ouders van de SNK terugkopen. Dat werd haar geweigerd. Op de tentoonstelling van gerecupereerde schilderijen en tapijten die de SNK in 1950 in het Rijksmuseum organiseerde, herkende ze elf schilderijen en enkele tekeningen, maar de SNK wilde er geen afstand van doen.

In 1951 begon Lili Gutmann een zaak tegen de SNK bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. De SNK betoogde in deze rechtszaak ondermeer dat Friedrich Gutmann in 1941 al bezig was met de verkoop van zijn collectie, hoewel er toen 'nog geen sprake was van confiscatie van joods vermogen, er zelfs nog geen jodenverordeningen bestonden'. Volgens de SNK had er dan ook 'een volkomen normale transactie' plaatsgevonden en was er 'niet de minste aanleiding tot rechtsherstel'.

De Raad deed op 4 juli 1952 uitspraak en stelde de SNK - die inmiddels was opgeheven - in het ongelijk. Weliswaar had Gutmann zelf het initiatief genomen tot de verkoop en was er door de Duitsers geen dwang uitgeoefend, maar, zo meende de Raad, het waren toch de bijzondere omstandigheden, 'nauw verband houdende met de Duitse bezetting', die Gutmann ertoe brachten 'zich van zijn kunstverzameling en inboedel te ontdoen'. Met de opmerking 'dat de Staat met de Recuperatie van tijdens de bezetting naar Duitsland weggevoerde, uit particulier bezit afkomstige goederen geacht moet worden de teruggave daarvan aan de oorspronkelijke eigenaar te hebben beoogd', kreeg de SNK postuum nog een flinke veeg uit de pan.

De kleinzoon van Friedrich en Louise Gutmann, de in Hollywood wonende Nick Goodman, is nog altijd bezig de niet teruggevonden kunstwerken van zijn grootouders op te sporen. In Londen dook onlangs het schilderij Bloeiende Appelboom van Renoir op en in de Verenigde Staten ontdekte Goodman een pastel van Degas, Landschap met schoorsteen. Beide kunstwerken worden door hem geclaimd. In Nederland valt van de familie Goodman geen claim meer te verwachten omdat Lili Gutmann destijds alles wat naar Nederland was gerecupereerd heeft kunnen terugkopen.

Katz-affaire

De SNK kwam in de zeven jaar van haar bestaan - 1945 tot 1952 - nauwelijks in opspraak door de onwil en laksheid bij de teruggave van kunstwerken. Het was, ironisch genoeg, juist een staaltje van al te gulle vrijgevigheid dat in 1948 een schandaal ontketende.

Aan de kunsthandelaar Benjamin Katz had SNK-directeur De Vries 31 schilderijen geretourneerd die geheel vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht en dus niet voor teruggave in aanmerking kwamen. De Vries was tijdens de oorlog in Zwitserland geholpen door Benjamins broer Nathan en dit zou de oorzaak zijn van de frauduleuze vriendjespolitiek.

Ook de Rotterdamse kunstverzamelaar D.G. van Beuningen, die lid was van de Commissie van Advies van de SNK, werd bevoordeeld. Van Beuningen had voor anderhalf miljoen gulden achttien schilderijen vrijwillig aan Hitler verkocht. Van de SNK mocht hij deze doeken, waarop hij officieel geen enkel recht had, voor slechts 293 duizend gulden terugkopen.

De Katz-affaire leidde in juli 1948 tot de arrestatie van De Vries. Na protesten van de hele Nederlandse museumwereld werd hij weer vrijgelaten. Hij kreeg zijn ontslag als directeur van de SNK, maar verder werd de zaak in de doofpot gestopt en hij mocht aanblijven als directeur van het Mauritshuis.

Na het ontslag van De Vries kwam de overheid tot het besef dat de kunstexperts die binnen de SNK de dienst uitmaakten, niet de aangewezen personen waren om de teruggave van kunstwerken te regelen. De openbare verzamelingen gingen hun meer ter harte dan de particulieren die hun bezit opeisten. Er werd dan ook een jurist, J. Jolles, benoemd tot nieuwe directeur van de SNK. Hij trof een administratieve chaos aan en pas omstreeks 1950 kon aan de teruggave wat meer aandacht worden besteed.

Het Instituut Collectie Nederland van het ministerie van OCW heeft nu nog 3585 kunstwerken in beheer die na de oorlog uit Duitsland zijn gerecupereerd, waaronder 1459 schilderijen. Maar het totale aantal gerecupereerde kunstwerken dat na de oorlog in Nederlands openbaar bezit kwam, lag veel hoger. Vele honderden kunstwerken werden in 1946 en '47 door de SNK aan musea overgedragen. De SNK heeft omstreeks 1950 ook een paar duizend schilderijen, beelden, meubelstukken en antiquiteiten laten veilen omdat de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen daar geen belangstelling voor had. De opbrengst van deze veilingen ging naar de staatskas.

De 719 schilderijen die op de veiling kwamen, waren geen topstukken. Ze waren van onbekende schilders, of ze hadden beschadigingen opgelopen. Maar vooral bij de toegepaste kunst werden wel veel waardevolle en bijzondere stukken geveild, zoals oude Italiaanse meubels uit de collectie Lanz, al het glaswerk uit de Goudstikker-collectie (225 voorwerpen) en een grote hoeveelheid kostbaar Duits porselein (300) dat voor de oorlog had toebehoord aan Fritz Mannheimer.

De 3585 kunstwerken die na de veilingen nog overbleven, horen nu tot ons 'mobilier national'. De kunstroof van de nazi's heeft Nederland een grote rijkscollectie opgeleverd van kunstwerken die voor de oorlog in particulier bezit waren. De SNK heeft daar een handje bij geholpen.

    • Lien Heyting