Een kindertijd vol knarsetanden

J.M. Coetzee: Boyhood. Secker & Warburg, 176 blz. ƒ 46,25

Jongensjaren. Vertaling Per Bergsma. Ambo, 159 blz. ƒ 34,90

Van niemand viel van een autobiografisch boek zo weinig te verwachten als van J.M. Coetzee. Bijna geen schrijver is zo teruggetrokken als deze Zuidafrikaanse, die liever geen interviews afgeeft en al helemaal geen interpretaties van zijn eigen werk. De Bookerprijs voor het meesterlijke Life and Times of Michael K. (1983) bracht daar geen verandering in. Nu ligt daar opeens Boyhood, een met typisch Coetzeeaanse soberheid vertelde onthulling over de jongensjaren van John Coetzee.

Het is een bijzonder kind dat de schrijver met zijn herinneringen oproept. Eenzaam, een buitenbeentje in velerlei opzicht, met een uiterst complexe relatie tot zijn vader en moeder. Het broertje dat er ook is, speelt geen rol. Vriendjes, laat staan vriendinnetjes, zijn er niet. Wat wil je: op een keer, als het jongetje een jaar of tien is, komt een klasgenootje zijn kamer binnen net als John op zijn rug onder een stoel ligt. 'Wat ben jij aan het doen?', is de vanzelfsprekend verbaasde vraag. 'Ik denk', is het spontane maar onhandige antwoord. 'Ik hou van denken.'

John is de beste van de klas, en al een uitzondering omdat hij, kind van ouders die doorgeleerd hebben, gewend is aan lezen. En aan schoenen. 'He comes from an unnatural and shameful family', vindt John zelf. Zij zijn niet zoals de rest, en dat kan niet goed zijn. Hij geniet van lezen en van zijn schoenen, maar tegelijkertijd lijdt hij er onder. Die tweespalt is kenmerkend voor John Coetzee. Hij leidt zelfs een dubbelleven. Op school is hij het braafste jongetje van de klas, thuis tiranniseert hij het hele gezin.

Het is niet dat knappe en brave jongetje dat van Boyhood zo'n boeiend verhaal maakt. Zulke jongetjes, met hun geheime fantasieën, zijn er in de wereldliteratuur genoeg. De jonge huistiran, dát is pas een interessant ventje. Aan het eind van het boek, John is dan dertien, voelt hij zijn ouders als twee grijze vormloze lasten die op zijn schouders drukken. Van zijn vader, een advocaat die bij gebrek aan beter werk boekhouder wordt, heeft hij een vreemd soort abstracte afkeer. Niet omdat pa zijn moeder bespot, malversaties pleegt en aan de drank raakt, maar gewoon, omdat hij liever geen vader gehad zou willen hebben. In een onderkoelde maar aangrijpende scène aan het slot van Boyhood denkt John verheugd te merken dat zijn vader, 'wonder of wonders', een zelfmoordpoging met slaappillen aan het plegen is. Zijn nieuwsgierigheid wint het van het geduld om de pillen rustig hun werk te laten doen en hij gaat kijken. De vader kijkt zijn zoon lodderig aan; hij is alleen maar zijn roes aan het uitslapen. Op dat moment voelt de jongen zich, na een stille strijd van jaren, veruit de meerdere van zijn vader. En dat vindt hij toch niet eerlijk, omdat hij nog zo jong is.

Met zijn moeder heeft John een nog veel ingewikkelder relatie. Een onontwarbare kluwen van haat en liefde, bewondering en weerzin. Het lam van de klas ontpopt zich als een leeuw thuis, waar niemand buiten het gezin iets van mag weten. Zo klein als hij is, onderdrukt hij zijn moeder. Hij is bang voor haar allesomvattende liefde, en daarom verbiedt hij haar daar uiting aan te geven. Hij leert haar af om 'Ik hou van je' te zeggen, liefde is immers iets weeks en klefs. Tot verbazing van in elk geval deze lezer blijkt de schrijver Coetzee als jongetje hard, genadeloos en onverzoenlijk te zijn geweest. In zijn eigen woorden 'rude, unsocialized, eccentric'.

Het zal geen verwondering wekken dat John tweeslachtige gevoelens heeft over zwarten en kleurlingen. De zwarten beschouwt hij als import uit het noorden, die zijn niet relevant want ze horen er niet thuis. Maar de kleurlingen, van wie men zegt dat ze blank bloed in zich hebben, dat zijn volgens John de oorspronkelijke Hottentotten, de rechthebbenden die echter onder de Apartheid geen enkel recht hebben behalve om de blanken te dienen. Tegenover kleurlingen, mooi en puur als ze zijn, voelt John zich vol schuld, wat er niet beter op wordt als hij verontrustende sensaties ondergaat wanneer hij hun blote benen bekijkt.

Coetzee is niet gewend planken van dik hout te zagen. Dat maakt hem ook zo'n goed auteur. De waanzin van het apartheidssysteem wordt heel terloops geïllustreerd in een tussenscènetje waarin een gekleurde schuldeiser van zijn vader langskomt. Na zijn bezoek twijfelt moeder over wat ze met het theekopje moet doen. Normaal gesproken wordt een kopje waar een kleurling uit gedronken heeft kapot gegooid, maar eigelijk kunnen ze zich dat niet meer veroorloven. Uiteindelijk wast ze het maar af met chloor.

'Childhood' is voor Coetzee, 'a time of gritting the teeth and enduring', een tijd van donkere gevoelens en geheimen, van haast ondraaglijke eenzaamheid. Toch zitten er komische episodes in Boyhood, zoals die waarin John - in 1947! - partij kiest voor de Russen omdat hij de R de sterkste letter van het alfabet vindt, of als hij van een blikje, een touw en een stuk elastiek een ballenwerper maakt om mee te kunnen cricketen. Hij heeft iets bijzonders met letters, bijvoorbeeld met het woord 'perversion, with its dark, complex thrill, beginning with the enigmatic p that can mean anything, then swiftly tumbling via the ruthless r to the vengeful v. Not one accusation but two.'

In de harde, onsentimentele zelfanalyse komt de humor als een verademing. Op de rand van slapstick zelfs is de episode waarin hem op de grote school gevraagd wordt wat hij is: protestants-christelijk, rooms-katoliek of joods. Thuis geloven ze nergens in dus antwoordt hij rooms, in de veronderstelling dat dat iets te maken heeft met Rome, antieke helden en mooie bruggen. Waarna voortaan twee keer per week de protestants-christelijken van de rest gescheiden worden. De eersten gaan naar de kerk en hij hangt wat rond met de joodse jongens. Hij kan zijn blunder niet meer rechtzetten zonder belachelijk te zijn, en de pesterijen van de andere jongens ('Jood! Vuilgoed!') vallen weg tegen het plezier van het praten en stoeien met de joden.

Boyhood is, afgezien van het openhartige karakter, helemaal Coetzee. De onopgesmukte stijl, het doeltreffende proza - Coetzees barre jeugd in het Zuid-Afrika van de jaren vijftig komt in Boyhood pijnlijk navoelbaar tot leven.

    • Margot Engelen