Een biografie overwint de dood; Richard Holmes houdt de 26-ste Huizinga-lezing

“Als biograaf moet je je onderwerp op afstand houden”, zegt Richard Holmes, biograaf van onder anderen Shelley, Coleridge en Gérard de Nerval. Regelmatig maakt hij mee dat dat niet meevalt. Zijn onderwerpen dringen zich aan hem op - Stevenson stond zelfs plotseling naast hem. Op 12 december geeft Richard Holmes in de Pieterskerk in Leiden de Huizinga-lezing over 'Biography and Death'.

De boeken van Richard Holmes verschijnen bij Flamingo Publishers en Penguin Books. Bij uitgeverij Contact zijn 'Voetsporen' en 'De feministe en de filosoof' leverbaar. Uitgeverij Bert Bakker publiceert de Huizinga-lezing onder de titel 'Biografie en dood'.

Kort geleden stak de Engelse biograaf Richard Holmes ter ere van zijn verjaardag tweeënvijftig vuurpijlen af tussen de hoge bomen om zijn tuin. “Ik houd van vuurpijlen, vooral als ze in verblindende kleuren uiteenwaaieren tegen een regenachtige avondhemel. Dan ga ik in het gras liggen en kijk omhoog. Shelley was zo'n vuurpijl, een komeet die kort en krachtig gloeide, de hemel verlichtte, zichzelf opbrandde en verdween. Voor Coleridge geldt hetzelfde, jong en al vroeg stralend. Ik ben nu niet meer in staat tot een boek als dat over Shelley. Toen ik tweeënvijftig werd, besefte ik dat ik niet meer over de kracht beschik een alomvattende biografie te schrijven.”

Het golft en glooit hier ten noorden van Norwich, in het gehucht St. Andrews. Dit is Eastern-Anglia, en niet het Lake District. Dat ligt mijlenver westwaarts. Toch zijn de Lake Poets als Wordsworth, Coleridge en Shelley op deze avond dichterbij dan ooit. Dat komt door Richard Holmes (Londen, 1945), die de sporen van hun rusteloze levens door Europa natrok en daar hartstochtelijke biografieën over schreef. Holmes' meer dan achthonderd bladzijden tellende Shelley-boek uit 1974 heeft als ondertitel The Pursuit. De jacht, de achtervolging. Hij schreef het in twaalf maanden tijd. Overdag sliep hij op een veldbed, 's nachts werkte hij als een bezetene. Hij was negenentwintig toen hij het voltooide, juist even oud als Shelley die in 1822 verdronk in de baai van La Spezia. Pursuit is treffend gekozen. Holmes is niet de soort biograaf die zich ophoudt in stoffige archieven of in bibliotheken, die van dood materiaal een papieren personage schept. Hij zoekt en vindt - het laatste soms ook niet - overal de voetsporen van zijn helden; niet zelden werd dat een obsessie.

In het boek Footsteps (Voetsporen, 1985) geeft hij zich op meesterlijke wijze rekenschap van zijn methode. Vaak kiest hij als uitgangspunt een ogenschijnlijk kleine gebeurtenis uit iemands leven, door andere biografen uit achteloosheid vergeten. Het kan ook een portretfoto zijn, zoals Nadars foto van de Franse schrijver Gérard de Nerval. Daarop zien we een man met een van verbittering doortrokken gezicht. Hij heeft het koud. Een paar dagen later pleegde hij zelfmoord. Hij was zenuwziek. Holmes legde een vergrootglas op de foto en zag Nervals door nicotine aangetaste vingers. Nooit had iemand eerder ontdekt dat hij rookte.

Sprongen

Holmes beschouwt zich als een 'experimenteel biograaf'. Iemand die evenzeer geboeid wordt door levens zoals ze worden geleefd, als door levens zoals ze worden verteld. Dat is niet hetzelfde. De chronologie van het hart is gecompliceerd; daarom vertelt Holmes nooit rechtstreeks een verhaal van begin tot einde, maar maakt hij sprongen in de tijd.

Aan de langwerpige, kale houten tafel staan zes stoelen. Vier zijn leeg. Holmes blikt regelmatig van de ene zitting naar de andere, dan zegt hij: “Men weet het nooit zeker, maar misschien zit daar Shelley wel, daar Coleridge en hier naast me Mary, Shelleys vrouw. Ze zijn niet dood, ze zijn eigenlijk aldoor levend. En zijn ze in gesprek met ons, maar sstt, niet hoorbaar.”

Dood. Of beter gezegd: de door de biograaf overwonnen dood van zijn dode helden. Daarover gaat de Huizinga-lezing die Richard Holmes op 12 december in de Pieterskerk in Leiden zal geven. Biography and Death heet zijn vertoog. Het stemt hem tevreden dat hij die vanaf de kansel mag uitspreken. “A pulpit!” Zijn ogen lichten op. Hij is er trots op dat hij in het voetspoor treedt van de historicus Johan Huizinga, want diens biografie over Erasmus uit 1924 is voor Holmes een hoogtepunt in het genre. Holmes: “Huizinga stelt de wezenlijke vragen die elke biograaf zich moet stellen. Doe ik mijn onderwerp recht aan? Vertel ik de waarheid? Een biograaf mag nooit een moreel oordeel vellen. Schrijf je ergens dat die of die toen en toen verkeerd handelde, ga dan maar weg, schrijf in 's hemelsnaam geen biografie. Huizinga heeft zijn boek opgebouwd uit de drie noodzakelijke aspecten van de biografie: rationeel begrip, het verlangen om de verrukking van nieuwe kennis te ondergaan en tolerantie. Feitelijk zijn het de oude idealen van de Verlichting. Ik heb vooral bewondering voor Huizinga's beschrijving van Erasmus' dood. Heel kort, geen woord teveel. Op zulke momenten schrijf je altijd te veel.”

Holmes kan het weten, van die doodsbeschrijving. Boven op zijn werkkamer ligt het slothoofdstuk van zijn Coleridge-biografie op afronding te wachten. Het is zijn laatste grote werk. Het spreekt vanzelf, de dichter moet sterven. Maar hoe vertelt de biograaf dat? Zuiver, zonder overdaad aan sentiment. Of hij zijn eigen dood moet beschrijven.

Voor Holmes is de biografie de meest gepassioneerde en meest expressieve vorm van schrijven. Hij begon als dichter en ontdekte dat hij biograaf werd. “In een biografie kan ik hetzelfde zeggen als in poëzie. Zelfs meer. Ik voel me vaak als de veerman Charon uit de Griekse mythologie die heen en weer vaart tussen heden en verleden over de rivier der vergetelheid. Ik heb een groot verlangen om de voorbije tijd te overwinnen. Als schrijver zet ik de tijd stil. Toen en nu vallen samen. Een biografie is iemands tweede leven, het is de triomf over de dood. Als iemand doodgaat, gaat de doos van zijn leven niet dicht, maar juist weer open. 'By death life is open again'.”

Encyclopedieën

“Virginia Woolf zei het in Orlando, wat een verkapte biografie is, heel treffend: 'In tegenstelling tot wat de encyclopedieën beweren, is het erg moeilijk vol te houden dat iemands leven eindigt bij zijn dood'. De grenzen van het leven liggen niet vast. Neem Coleridge in zijn laatste levensjaren, hij werd 61. Hij had zijn belangrijkste werk allang geschreven, zijn creatieve leven was voorbij. Maar hij was beroemd. Mensen bezochten hem. Een van hen was John Keats, een jonge bewonderaar, die had nog nauwelijks iets van betekenis geschreven. Vijf dagen na dit bezoek maakte Keats gedichten die tot zijn allerbeste behoren. Alsof Coleridges inspiratie was overgegaan op Keats. Als je die gedichten van Keats legt naast de dagboeknotities en brieven van Coleridge in de dagen rond hun ontmoeting, dan springen de overeenkomsten in het oog. Ik houd van die verrassingen. Naar zoiets moet een biograaf op zoek gaan.

“Er zijn in ieders bestaan twee tijden; iemands biologische tijd en iemands leven na de dood. Dat laatste kan, maar het hoeft natuurlijk niet altijd, eindeloos doorgaan. Expansief. Als een vuurpijl die opnieuw ontstoken wordt. Een biograaf ziet geen afgerond leven of incidentele gebeurtenissen. Hij ziet samenhang, een zich telkens opnieuw ontvouwend patroon van gebeurtenissen. Hij beschikt over de mogelijkheid vooruit in iemands leven te gaan en weer terug. Denk nooit dat je het laatste woord over enig menselijk hart hebt gezegd. Dat bestaat niet. Het menselijk hart is ingewikkeld, subtiel, ondoorgrondelijk soms, weerloos.

“Een biografie is een levensverhaal bezield door kunst. Voor de biograaf begint iemands leven pas bij de dood van degene over wie hij schrijft. Ik geloof niet in de biografie geschreven tijdens iemands leven. Op die manier schandaliseer en trivialiseer je het genre. Elke generatie schrijft over zijn helden nieuwe biografieën. Dat bedoel ik met het vertelde leven dat me evenzeer intrigeert als het werkelijke leven. Hoe kijkt een generatie naar Byron, naar Shelley? Van Shelley hebben we een Victoriaanse biografie, waaruit hij naar voren komt als een etherische dichter, nauwelijks politiek betrokken, kortom een poëet. Later verscheen een Amerikaanse levensbeschrijving van hem waarin hij een voorvechter was van de New Deal.

“Mijn boek over Shelley is ondenkbaar zonder de jaren zestig. Ik ben een kind van die tijd. De 'Sixties...' ” Holmes kijkt een paar tellen naar de lege stoelen om ons heen. Ik kijk met hem mee maar ben bang dat hij meer ziet dan ik. “De jaren zestig die draaiden om de ethiek van de tegencultuur van de jongeren, de bevrijding van oude, gevestigde waarden. De nieuwe kleuren, de muziek, 'revolution in the air', seks, het gemakkelijke geld, de flamboyante verbeelding. Ik zag Shelley in dat licht. Hij dichtte: 'Bliss was it in that dawn to be alive, / But to be young was very heaven!' Shelley experimenteerde met het leven; hij hield er twee vrouwen op na, had twee gezinnen. De verplichtingen van het huwelijk waren hem een beklemming. Hij wilde de vonken van de passie aldoor brandend houden. Ook was hij, een telg van de vroege negentiende eeuw, betrokken bij de utopische verlangens uit die tijd. Zo zag hij de onbaatzuchtige liefde als enige redding voor de mensheid. Ik las zijn gedicht Prometheus unbound als een voorbode van de Flower Power. Shelley maakte dezelfde reizen die wij uit Engeland in de jaren zestig maakten, naar Duitsland, Frankrijk, Italië en Griekenland. Hij en Mary Wollstonecraft, dochter van de bekende feministe, waren op zoek naar een nieuw leven, ongebonden door conventies.”

Barricaden

“Tijdens de rellen in mei '68 in Parijs liep ik daar ook rond. Goedbeschouwd met een vreemde missie. Ik was niet zozeer een gooier van stenen of een bestormer van barricaden. Temidden van al die revolutionaire omwentelingen en dat me om de oren vliegend plaveisel was ik desperaat op zoek naar de geest van Wordsworth. Ik zocht hem in de spiegelende etalages, in de cafés. Hij was in 1791 in Parijs, twee jaar na de val van de Bastille. Zoals hij in een brief schreef zag hij 'het schip van de revolutionaire krachten trekken aan het anker, heen en weer geschud door stormen'. Ik geloof niet zozeer dat de geschiedenis zich herhaalt, dat is te eenvoudig. Wel ben ik overtuigd van de continuïteit van de historie. Ideeën gaan niet voorbij, menselijke gedachten leven voort.

“Op een keer was ik in Pisa op zoek naar het huis waar Shelley woonde. Het stond er niet meer, het was in de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd. Het enige wat me restte, was een foto te nemen van het uitzicht dat Shelley vanuit zijn raam gezien moet hebben. De rivier de Arno, de huizen aan de overkant. Ik ontdekte dat het uitzicht nauwelijks veranderd kon zijn in die jaren. Op die manier wierp ik als biograaf geen blik van buiten naar binnen, zoals de meesten dat menen te moeten doen, maar van binnen naar buiten. Die tegengestelde blikrichting gaf me de kans de tijd en de omgeving van Shelley zoals hij ernaar keek weer te vinden. Bovendien trof ik mijzelf aan in een gedicht dat hij in Pisa schreef over het uitzicht op de stad, gevangen in de beweeglijke en tegelijk onbewogen waterspiegel. Hij dicht: 'You, being changed, will find it then as now'. Die 'jij', dat kon niemand anders zijn dan ikzelf.”

Meer dan enig andere biograaf vereenzelvigt Holmes zich met zijn literaire helden. Terwijl hij in The Pursuit bijvoorbeeld schreef over de huwelijksproblemen van Shelley en zijn verlangen om een commune te stichten in een oude Italiaanse villa zag hij in de kring rondom Shelley die van zijn eigen vrienden en kennissen in Londen. Ook zij waren verwikkeld in toestanden van vrije liefde, van gebondenheid of ongebondenheid, van onbaatzuchtige idealen. Holmes hoorde in zijn hoofd de gesprekken die hij nachtenlang met zijn vrienden had gevoerd. De beslissingen die Shelley moest nemen waren dezelfde als van Holmes en zijn Londense vrienden, meer dan anderhalve eeuw later.

Toch verzet Holmes zich tegen de indruk dat verregaande identificatie zijn grootste troef is als biograaf. “Ja, er is identificatie, en tegelijkertijd is er een levensgroot maar. In Voetsporen volg ik de reis die de schrijver Stevenson in 1878 door de Cévennes in Frankrijk maakte. Ik sliep, voor zover mogelijk, in dezelfde herbergen als hij. Overnachtte hij onder de open hemel, ik deed hetzelfde. Mijn rugzak als hoofdkussen. Zijn reisverslag werd mijn dagboek. Op een gegeven moment stond ik op dezelfde brug als hij. Ik had het idee dat hij naast me kwam staan. Stevenson en ik vielen samen. Totdat ik goed om me heen keek en verderop een oude brug zag liggen, gebroken, overwoekerd met klimop, niet in staat de beide oevers met elkaar te verbinden. Dat was natuurlijk Stevensons brug, die oude! Niet de hedendaagse waarop ik me bevond. Wat een vergissing. Ik was zwaar teleurgesteld. Ik begreep wat ik al had moeten weten: je kunt de ander nooit echt bereiken en nooit met hem of haar samenvallen. Aldoor bevinden zij zich in een andere wereld. In datzelfde verhaal schrijf ik over mijn gebroken pijp, die ik met touwtjes weer repareerde. Dat is een metafoor voor de biografie: twee helften vernuftig verbinden. De steel van de pijp weer aan de kop vastmaken; de dichter uit een voorbije tijd met iemand van nu verbinden.”

Bureauwerk

“De waardevolle vergissing op de niet-Stevenson brug leerde me ook dat je als biograaf je onderwerp op afstand moet houden, liefst een armlengte ver. Je moet er van een afstand naar kijken. Voer je de identificatie tot het uiterste door, dan krijg je een slecht boek, want dan mis je de mogelijkheid grotere verbanden te zien. Mijn werk voor een biografie bestaat uit drie fasen. Eerst is er het verzamelen van materiaal, het lezen van het werk en het openen van de archieven; het bureauwerk. Daarop volgt het veldwerk; ik ga reizen, bezoek de plaatsen van belang, beeld me in hoe zij in hun tijd reisden, te paard, per schip, te voet of met het rijtuig. Daarna komt het eigenlijke schrijfwerk. 'Dreamwork' noem ik dat. Ik verbind alles wat ik heb gelezen en gezien met elkaar. Ik wil zowel een beeld geven van de tijd waarin iemand leefde als een verklaring voor zijn handelen. Ik kan mezelf niet wegcijferen uit mijn boeken, al gaan die over anderen. Toen ik een keer een foto maakte van het huis waar Shelley werkte, bleek later een klein jongen half verscholen tussen de platanen te staan. Er schoot een tinteling door me heen: dat jongetje was het dode zoontje van Shelley. Hij had dezelfde leeftijd. Zo dichtbij was ik bij Shelley gekomen.

“Van dat 'dreamwork' kan ik me naderhand weinig herinneren, eigenlijk niets. Als ik nu mijn Shelley-biografie herlees, dan sta ik verbaasd over wat daarin niet allemaal staat. Het was aldoor nacht en duister terwijl ik schreef en schreef. Met Shelley reisde ik eerst mee in de geest van zijn werken, een innerlijke reis, en daarna mee in de werkelijkheid van de landen en steden die hij bezocht. De biografie is uiteindelijk de synthese van die twee tochten.”

Holmes' drang tot identificatie komt voort uit een verlangen naar troost. “Ik zie me in mijn leven geplaatst voor dezelfde problemen als mijn dichters en schrijvers. Dat betekent niet dat ik alles van hen weet, het begint zelfs met onwetendheid. Maar die is heerlijk, en vooral noodzakelijk. Al schrijvend baan ik me een weg naar de waarheid omtrent iemands leven.

“Revolutie, romantiek en poëzie zijn de drie pijlers waarop ik tot nog toe mijn werk heb geschreven. Ik wil met mijn lezing een Defence of Biography geven, zoals Shelley zijn Defence of Poetry maakte. Wat mij tot de biografie bracht was het falen op de brug in de Cévennes. Falen is van het grootste belang, pas dan weet je wat iemand heeft willen bereiken. En, wat jijzelf hoopte te bereiken. Iets onmogelijks, want toen en nu zijn niet hetzelfde. Toch leeft het verleden elke dag in ons, en herschrijven wij in boeken elke dag dat verleden. De tweehonderd biografieën die over Byron bestaan zijn evenzovele pogingen het verleden een tweede kans te geven, het te laten herleven. Elke keer komt het dichtbij en elke keer ontsnapt het ons. Daarom is voor mij de 'pursuit' het belangrijkste. Want al weet ik dat ik Shelley of Coleridge nooit kan en zal ontmoeten, de jacht op hen haalt die vlietende figuren uit het verleden naar vandaag. Daar zijn ze dan. Even niet dood.”