Duizendjarig hunkeren; Tim Krabbé over vriendschap en gemiste kansen

Tim Krabbé: De grot. Bert Bakker, 181 blz. ƒ 29,90 (pbk.), ƒ 39,90 (geb.)

In besprekingen van thrillers is het een goede gewoonte om de clou niet te verraden; bij het literaire spannende boek, dat zich kenmerkt door psychologische of stilistische diepgang geldt deze restrictie niet. Je vraagt je dan ook af waarom Tim Krabbé er zo op gebrand is om de plotwendingen van zijn boeken geheim te houden - of dat nu zijn nieuwste roman De grot betreft (zoals vorige week in het televisieprogramma De Plantage), of zijn oudere werk. Toen hij vier jaar geleden in deze krant het lot van de spannende-boekenschrijver vergeleek met dat van een mooie vrouw (die automatisch voor oppervlakkig wordt versleten), bleek hij het nog steeds jammer te vinden als zijn lezers het slot van Het gouden ei - geschreven in 1984 en inmiddels twee keer verfilmd - zouden doorvertellen.

Krabbé (1943) schrijft spannende boeken, maar ze zijn onafhankelijk van de kracht van de plot. Wie Het gouden ei niet is gaan lezen, omdat hij wist dat de hoofdpersoon uiteindelijk levend zou worden begraven, onthield zichzelf een perfect verteld verhaal over martelende onzekerheid en allesoverwinnende liefde. Wie het recent verschenen De grot aan zich voorbij laat gaan, mist behalve een opwindend jongensboek ook een ontroerende roman over frustratie, eerste liefde en gedoemde vriendschap.

De vijf hoofdstukken van De grot, samen een mozaïek van los te lezen verhalen die heen en weer springen in de tijd, worden verteld vanuit het perspectief van verschillende personages. Eén is het middelpunt: de veertiger Egon Wagter die aan het begin van het boek met een koffertje drugs aankomt op het vliegveld van Ratanakiri, een naar Singapore gemodelleerde Big Brother-samenleving in Zuidoost-Azië. Egon zal zijn eerste drugstrip niet overleven. Wanneer hij na een dag vol zenuwen op een donkere parkeerplaats de koffer overdraagt aan een Amerikaanse koerierster, wordt hij vermoord - samen met de vrouw, met wie hij in de vervreemdende minuten voor de overdracht een wederzijdse coup de foudre heeft beleefd.

Na deze proloog komen we niet alleen stukje bij beetje te weten wat zich op de parkeerplaats heeft afgespeeld (en wat dat in de dictatuur Ratanakiri voor politieke consequenties heeft), maar ook wat de geoloog van middelbare leeftijd ertoe heeft aangezet om te gaan smokkelen. Egon Wagter is een man in een midlife-crisis: gestrand in zijn carrière, na veertien jaar door zijn vriendin verlaten, en niet rijk genoeg om de reizen van zijn dromen te maken. Maar met de eenmalige drugssmokkel wil hij vóór alles een Daad stellen: 'Dronken van opluchting (-) zou hij springen en juichen, omdat hij nog leefde, om de kracht en de durf die hij had gehad. Daar zonk alles bij in het niet. Het geld zou hij kunnen weggooien - op die triomf zou hij een nieuw leven bouwen.'

Er is nog een andere reden waarom Egon zich laat verleiden tot deze Johannes van Damme-achtige expeditie: zijn minderwaardigheidscomplex tegenover jeugdvriend Axel, een charismatische drugsbaron die in alles Egons tegenpool is. Vanaf het moment dat hij hem tijdens een jeugdkamp in de Ardennen ontmoette, heeft Egon tegen hem opgekeken. Axel was de rouwdouw die alles durfde en wegliep met de mooiste meisjes, die alle regels aan zijn laars lapte en later als topcrimineel zou bewijzen hoezeer misdaad loont. Axel is Faust en Mefistofeles tegelijk, en Egon is maar een van de velen die hij - onder het motto 'ik help mensen hun fouten te maken, maar ze maken ze zelf' - in het verderf stort. Het patroon van hun verhouding ligt besloten in één beslissende gebeurtenis tijdens het kamp in La Roche: het moment dat Axel zich definitief tussen Egon en zijn grote vakantieliefde dringt.

De grot is het verhaal van een jeugdvriendschap, van levens die elkaar onafwendbaar blijven kruisen. Net als in Krabbés vorige romans voert het Noodlot de vlag, spelen plotselinge verdwijningen een belangrijke rol, en verbindt de schrijver zijn plot met wat hij in deze krant zijn favoriete thema noemde: 'hoe moeilijk het is om de liefde te verwezenlijken en dat 't misschien alleen maar kan lukken in een denkbeeldige wereld.' In Het gouden ei moest Rex doodgaan om zich met zijn Saskia te herenigen, in Vertraging (1994) beleefden de hoofdpersoon en zijn jeugdvriendin een halve Liebestod, en in De grot hervinden Egon en 'de liefde van zijn leven' elkaar pas op het moment van hun dood.

Als verteller is Tim Krabbé dwingend als de alleenheerser van Ratanakiri, hij laat niet los tot hij je naar het eind gesleurd heeft. Timing, het doseren van spanning, de afwisseling van natuurlijk klinkende dialogen en monologues intérieurs - Krabbé is er een meester in, net als in het karakteriseren van zijn personages. Hij is een Nederlandse John Irving die in eenvoudige zinnen grote emoties weet op te roepen. Zijn stijl is wel eens vlak genoemd, misschien omdat ieder obstakel door de schrijver zorgvuldig uit de weg is geruimd, en wie dat wil, kan zich ergeren aan het teveel aan eenregelige alinea's alsmede het kwistig gebruik van uitroeptekens (door Battus ooit aangeduid als 'de bananeschil van de romancier'). Maar het ontbreekt in De grot niet aan sterke formuleringen en mooie beelden, of het nu de barnsteendruppel is waarmee de verstikkende tropische hitte vergeleken wordt, of het symbolische wederzijds hunkeren van stalactieten en stalagmieten aan het eind van het boek: 'Hoeveel duizenden, honderdduizenden jaren zou het wel niet duren', denkt Egon wanneer hij in een kalksteengrot staat, 'voor ze bij elkaar waren gekomen en samen een zuil waren geworden?'

De epiloog van De grot, beheerst door de melancholie van de gemiste kans, is even roerend als subtiel. Hij doet de lezer vergeten dat het voorafgaande verhaal door een opeenhoping van toevalligheden - Krabbés favoriete compositiemiddel - af en toe een zwaar beroep doet op de suspension of disbelief en ook dat de 'ontknoping' zich al honderd bladzijden voor het einde aankondigt. Niemand zal nog verrast zijn als blijkt dat de koerierster op de Zuidoost-Aziatische parkeerplaats en Egons gefnuikte vakantieliefde uit het vakantiekamp een en dezelfde zijn. Maar dat geeft niet. Tim Krabbé is schrijver genoeg om zich niet meer om de clou te hoeven bekommeren.

Uit: Tim Krabbé, De grot:

Egon had de wetenschap gediend, Axel zichzelf. Egon had nooit iemand kwaad gedaan, Axel had jeugdleiders tot wanhoop gedreven, mensen gedood, junks gecreëerd, Doornenbosch naar de guillotine geholpen. Hij was een gevierd man, schatrijk, terwijl Egon niet eens de paar duizend gulden bezat om de droomreis van zijn jeugd te maken.

Als je maar een grote klootzak was, dan lag de wereld aan je voeten. Axel had gelijk, de beschaving was vernis, een verbond van de lafbekken om zich te beschermen tegen de echte heersers, degenen die pakten wat ze hebben wilden.

Er was maar één wet: Axels wet.

Ik geef het toe, dacht Egon. Ik heb verloren. Hij heeft gewonnen.

    • Pieter Steinz