De vervuiling van rap; Niervormige zwembaden met bitches in bikini

Chuck D (with Yusuf Jah): Fight the Power. Rap, Race and Reality. Delacorte Press, 273 blz. ƒ 59,95

Michael Eric Dyson: Race Rules. Navigating the color line. Vintage (pbk), 241 blz. ƒ 31,90

Armond White: Rebel for the hell of it. The life of Tupac Shakur. Quartet Books, 224 blz. ƒ 40,20. Thunder's Mouth Press (pbk), ƒ 33,65

Van Chuck D's 'Fight the Power' is een Nederlandse vertaling door Emerald Beryl verschenen bij Vassalucci, onder de titel 'Fight the Power. Over Public Enemy, zwart bewustzijn en de media', 250 blz. ƒ 29,90

De zwarte publicist Michael Eric Dyson was net klaar met zijn getuigenverklaring over rap voor een Senaatscommissie die onderzoek deed naar jeugdgeweld. Omstandig was Dyson, zelf opgeklommen van bijstandstrekker tot dominee en wetenschapper, ingegaan op de culturele context van de omstreden zwarte muziek. Geduldig had hij uitgelegd dat het om een complexe kunstvorm ging, en niet simpelweg om een rabiate geweldscultus.

Na afloop werd hij aangesproken door de gekleurde echtgenoot van een andere getuige. 'U bent toch dominee?' Jazeker. 'En gepromoveerd aan Princeton University?' Ook dat klopte. Toen kwam de punch line: 'Voor iemand die zo slim is, bent u dan een ongelooflijk stomme klootzak.'

Dyson beschrijft het incident in Race Rules. Navigating the Color Line, een bundel opstellen over het rassenvraagstuk in de Verenigde Staten. De anekdote tekent de reputatie van rapmuziek, die niet alleen onder vuur ligt van blanke politici, maar ook binnen de zwarte gemeenschap tot morele paniek heeft geleid. Politici riepen de muziekindustrie op tot censuur, zwarte leiders en dominees hebben zich uitgesproken tegen met name gangsta rap als een uiting van explosief nihilisme onder de zwarte jeugd.

Dyson deelt die bezorgdheid, maar vindt de kritiek op rap een schijnbeweging. Zwarte kritici vallen erdoor ten prooi aan wat Dyson noemt 'Black Nostalgia', het idee dat de moeizaam bevochten erfenis van Martin Luther King door diens nakomelingen wordt verkwanseld op de klanken van gangsta rap. Vooral de generatie oudere zwarten die dankzij scholing en hard werken is opgenomen in de Amerikaanse middenklasse, ziet in de muziek een terugval in raciale stereotypen en een capitulatie voor het consumentisme van het Reagan-tijdperk. Snel geld maken en verbrassen, lijkt immers de boodschap van de MTV-clips waarin met goud behangen rappers aan de rand van niervormige zwembaden hun rug laten masseren door bitches in bikini.

Volgens Dyson wordt het slechte nieuws hier verward met de boodschapper. Rap is een rijker en genuanceerder genre dan de gangsta die in de media wordt uitvergroot. Bovendien is die meest extreme rap inmiddels zoniet failliet, dan toch op zijn minst ingehaald door mildere, meer poëtische vormen van hip hop en rap, zoals het succes van onder anderen Coolio, The Fugees, Nas en A Tribe Called Quest aangeven. Ook de zorgen om community values, zoals onlangs nog uitgedragen door de mars van 'een miljoen zwarte vrouwen' door Washington, blijken hun weerslag te vinden in rap en hip hop.

Als verschijnsel blijft de morele paniek desondanks interessant, vooral omdat het, behalve over de ontreddering in zwart Amerika, ook iets zegt over de toestand van de witte cultuur. Dyson wijst erop dat de campagnes tegen rap passen in een traditie van verkettering van zwarte muziek door de blanke cultuur, eerder gericht op jazz en rhythm & blues - alvorens die op te nemen. Dat verschijnsel doet zich ook nu voor. Pas toen de 'getto-muziek' een succesvolle crossover had gemaakt naar de buitenwijken, en ook blanke kids Snoop Doggy Dogg op hun walkmen zetten, werd rap in Washington vogelvrij verklaard. Vice-president Dan Quayle sprak in 1992 de banvloek uit met de mededeling dat 'deze muziek geen plaats heeft in onze samenleving'. Het zijn de bezweringsrituelen die passen bij de incorporatie van een volgende zwarte cultuurvorm in de mainstream.

Voor Chuck D, oprichter van de befaamde rapgroep Public Enemy, is dat allemaal gesneden koek - en een complot. Zwarten, schrijft hij in zijn autobiografie Fight the Power, leven in Amerika nog steeds 'op een plantage', onder een 'wettige en subtiele vorm van apartheid' die hen klaarstoomt voor 'nieuwe slavenarbeid'.

In Fight the Power geeft Chuck D een levendig beeld van de rapwereld en de moeizame weg naar de top van een rapgroep binnen de muziekindustrie. Zijn door co-auteur Yusuf Jah bewerkte autobiografie biedt in zijn anekdotiek een passende aanvulling op het strijdbare oeuvre dat Public Enemy heeft opgebouwd. Niet dat Chuck D zich een onversneden revolutionair toont: hij fulmineert wel tegen de 'verkrachting' van rap door de muziekindustrie, maar pocht tegelijk vol ontzag over een mega-tournee van U2 waar Public Enemy aan meedeed en die 'meer opbracht dan de economie van Ghana'. Zelf is Chuck inmiddels eigenaar van het kledingbedrijf RappStyle, en heeft hij plannen om vakbondsleider te worden.

Helaas valt ook zijn waanzin in gedrukte vorm pijnlijker op dan in geperste. Chuck D, een volgeling van Louis Farrakhan's Nation of Islam, ontpopt zich als een aanhanger van het 'Black Holocaust' gedachtegoed, de overtuiging dat zwarten wereldwijd het slachtoffer zijn van een wit complot om hen te onderdrukken, te exploiteren of uit te roeien. De remedie: 'Zwarte mensen moeten terug naar Afrika. Zo niet fysiek, dan toch mentaal.' Het 'verblijf' in Amerika is immers maar noodgewongen, terwijl Afrika de toekomst van de wereld is, zoals al blijkt uit de 'Afrikaanse biologische wortels van Mozes, Boeddha, Jezus en Mohammed'. Bijgevoegd is een contract dat Chuck alvast heeft opgesteld om de Verenigde Staten 'vier biljoen dollar' schadevergoeding te laten betalen voor de slaventijd.

Het is natuurlijk de vraag hoe serieus zulke bespiegelingen los van de muziek moeten worden genomen (de rapper Nas heeft het afrocentrisme al op de plaat bespot als 'back-to-Africa stuff' en 'god-body-shit'), maar op de keper beschouwd gaat de voorman van Public Enemy hier een stap verder dan Dan Quayle. Niet alleen hun muziek, maar de zwarten zèlf hebben 'geen plaats in deze samenleving'. Wie vervolgens leest dat deze 'onafhankelijke denker' zijn boodschap uitdraagt 'op 35 hogescholen per jaar', kan zich de bezorgdheid over het echec van de zwarte emancipatie voorstellen. Een innere Emigration naar Afrika belooft weinig goeds voor dat sociale project, dat het toch zal moeten hebben van een gedeelde opvatting van burgerschap. Het opzetten van een eigen kledingbedrijf, of het maken van een nieuwe plaat, lijkt een beter idee.

Een geestverwant van Chuck D - en de rapper op wiens muziek Dan Quayle doelde - was Tupac Shakur, wiens gewelddadige dood op 25-jarige leeftijd vorig jaar leidde tot een nieuwe golf van publiciteit over rap. De Californische rapper Tupac was minder 'politiek bewust' dan de Newyorker Chuck D (die hem overigens postuum tot zijn favorieten rekent) en werd meer geïdentificeerd met de hedonistischer stroming van Californische gangsta rap. De spierbundels met de bikini-meiden.

In Rebel for the hell of it onderzoekt de zwarte journalist Armond White leven en werk van Tupac als een voorbeeld van 'zwarte verwarring'. Het boek is dan ook eerder een polemiek tegen de depolitisering van de zwarte cultuur dan een biografie. Tupac Shakur belichaamde volgens White een stuurloos geraakt sociaal engagement dat een uitlaatklep zoekt in rebellie 'for the hell of it' en zichzelf zo in feite onschadelijk maakt. Tupac Shakur was 'het perfecte product van een destructief economisch systeem dat is gebaseerd op uitbuiting'.

Daarmee is White's positie bepaald: hij is een exponent van zwarte nostalgie. Aan de opmerkelijke populariteit van rap onder de witte jeugd maakt White dan ook weinig woorden vuil, behalve als teken van 'exploitatie'. Hij scheert zo rakelings langs argumenten voor culturele apartheid. Als zwarte kunst immers dermate wordt uitgebuit en geperverteerd, wat zit er dan anders nog op?

Een antwoord op die vraag blijft hij schuldig. Hinderlijk is bovendien White's intellectualistische stijl. Hij rijgt dure woorden aan elkaar als kralen aan een rozenkrans. Tupac had niet gewoon fans, maar mensen 'die respondeerden op zijn kunst'. En met de bokser Mike Tyson, evenals Tupac veroordeeld wegens een seksdelict, had hij niet gewoon een goed gesprek, maar 'deelde hij ideeën over manieren om hun sociale status te verbeteren'.

Hamvraag voor White is, hoe een 'zoon van de revolutie' zo misleid kon worden door het kapitalisme. Tupac Shakur (1971) kwam immers uit een rebels nest, getekend door het rumoer van de jaren zestig. Zijn moeder Alice Faye Williams maakte in New York deel uit van de Black Panther-beweging en veranderde haar naam in 'Afeni Shakur'. Het rauwe getto-leven begon pas toen het gezin in 1988 verhuisde naar Marin City, ten noorden van San Francisco, waar Tupac actief werd in een aantal rap-groepen.

Het succes kwam in 1991 met zijn debuut cd 2Pacalypse Now, volgens White een 'platte' plaat vol 'impliciet seksisme' die maar een doel heeft: rotzooi trappen. Plaat en artiest werden direct het middelpunt van een politieke en culturele controverse. Tupac raakte betrokken bij een schietpartij waarbij een zesjarig kind omkwam; zijn muziek werd aangetroffen in de auto van een tiener die in Texas een politieman had doodgeschoten.

Daarna ging het van kwaad tot erger. In New York werd voor het eerst een aanslag op Tupacs leven gepleegd, waar hij openlijk zijn New-Yorkse rap-rivalen van betichtte. Na zijn vrijlating op borgtocht uit de gevangenis, waar hij vastzat wegens aanranding, stapte hij over naar het platenlabel Death Row, waar hij zijn meest ambitieuze platen maakte: All Eyez on me en The Don Killuminati. Tot een nieuwe aanslag in Las Vegas een einde maakte aan zijn leven.

Tupac verwarde twee idiomen, concludeert White, die van ras en klasse. Hij dacht in zijn 'woedende delirium' op te komen voor de zwarte gemeenschap, maar werd in feite gevoed door een quasi-Republikeins kapitalistisch ethos. Dat laatste mag waar zijn, maar het is toch een merkwaardig verwijt. Want is die verhaspeling van idiomen wel zo'n vergissing als White suggereert? Per slot van rekening zijn het onmiskenbaar de zwarte Amerikanen die tot een maatschappelijke onderklasse dreigen te vervallen.

Maar dat is rap niet aan te rekenen. De invloed van hip hop en rap op witte en zwarte jeugdcultuur gaat veel verder dan een verheerlijking van het gangster-leven. Het is begrijpelijk, maar ook pijnlijk dat zowel Armond White als Chuck D rappers oproept terug te keren naar hun wortels in de zwarte gemeenschap. White's nostalgie naar een betere tijd werkt per definitie verlammend op een jeugdcultuur die zijn eigen toekomst wil definiëren. Chuck's propaganda, anderzijds, is een rancuneleer die eerder hernieuwde segregatie in de hand werkt dan sociaal zelfvertrouwen. Het zou eerder tijd worden om rap los te maken van het nauwe exploitatie-kader waarin zowel Chuck D als Armond White het plaatst. Opname van hip hop en rap in de mainstream, betreurd door zwarte èn witte hard core liefhebbers als een teken van culturele kolonisatie, kan ook, of beter, worden opgevat als een bewijs van de vitaliteit van zwarte cultuur.

Dan zou ook de decibellen-cultuur van gangsta-rap niet eens op conto hoeven te worden geschreven van 'zwarte verwarring'. Ook de 'witte' popcultuur is immers onderhevig aan de verruwing en de 'lofzang op geld en macht' die White in gangsta-rap signaleert. Om nog gehoord te worden boven het dagelijkse bombardement van sound bites dient een zo groot mogelijke mond te worden opgezet. Die zoektocht naar de overtreffende trap leidt tot vergroving. Dat kan je betreuren, maar met ras heeft het verschijnsel op zichzelf weinig te maken. Als Tupac Shakur geen plaats heeft in deze samenleving, dan Dan Quayle evenmin.

    • Sjoerd de Jong