De spanning stijgt

Kunstpolitiek is vaak een aaneenschakeling van talloze, veelal vanzelfsprekende woorden en eindeloze goede bedoelingen, zonder veel controleerbare feiten. Het is interessant voor de betrokkenen, maar wazig voor het grote publiek. Kunstpolitiek kan ook echt spannend zijn, net zoals cao-onderhandelingen: loven en bieden met percentages, waarna er duidelijke winnaars en verliezers zijn. Zo'n spannende krachtmeting in de kunstpolitiek nadert nu zijn ontknoping.

Staatssecretaris Nuis van Cultuur kwam een jaar geleden in zijn ontwerp-Cultuurnota met een maatregel die uniek was in het Nederlandse kunstbeleid. Voor het eerst werden quota voorgesteld, waaraan kunstinstellingen moesten voldoen. Nuis vond dat de Nederlandse orkesten te weinig Nederlandse muziek speelden, naar schatting slechts vijf procent.

In de Cultuurnota, waarin onder andere de subsidies aan kunstinstellingen voor vier jaar zijn vastgelegd, verplichtte hij de orkesten om minstens zeven procent van de tijd op het podium te besteden aan het spelen van Nederlandse muziek. Elk orkest dat niet voldoet aan die norm krijgt een boete in de vorm van subsidievermindering. De maatregel werd gesteund door de Tweede Kamer en ging in op 1 januari van dit jaar.

Voordat de regeling werd ingevoerd verzetten de orkesten zich hevig. Ze eisten de artistieke vrijheid op om zelf te blijven bepalen welke muziek zij spelen. Ook daarna hield het verzet aan. Het Koninklijk Concertgebouworkest, dat nog geen twee procent Nederlandse muziek speelt, verklaarde zelfs zich niets van de maatregel te zullen aantrekken en bereid te zijn boetes te betalen. Het is tenslotte voordeliger om te spelen voor een volle zaal die te horen krijgt wat het wil horen, dan het publiek weg te jagen met Nederlandse muziek, zo was een vaak gehoorde redenering.

Na een half jaar kwam er een gesprek tussen Nuis en de orkesten. Tijdens het overleg beloofden de orkesten 'het beoogde doel' te bereiken door 'een bijzondere inspanning' te leveren. Gisteren kwam daarvoor een plan op tafel. Het is een inventarisatie van wat de orkesten toch al wilden gaan spelen en hoe ze dat op basis van kwaliteitsselectie denken te gaan doen. Hoeveel extra Nederlandse dat oplevert weten de orkesten zelf niet. Ze willen het niet eens weten, ze zijn daarin niet geïnteresseerd.

Hoewel het plan geen enkele garantie geeft voor de zeven procent die Nuis vraagt, denken de orkesten te weten dat Nuis daarmee akkoord zal gaan. Hij zou nu immers zelf zien hoeveel Nederlandse muziek er al wordt gespeeld. Nuis wil nu nog niet reageren, maar binnenkort zal hij toch zijn mening moeten geven. De spanning stijgt! De tussenstand is nu 7 voor Nuis tegen ? voor de orkesten. Zou de staatssecretaris zich echt bij zo'n stand gewonnen geven?

    • Kasper Jansen