De geschiedenis van het regeren; Het lukt pas anderhalve eeuw

S.E. Finer: The History of Government from the Earliest Times. 3 delen. Oxford University Press, 1701 blz. ƒ 359,-

Toen S.E. Finer in 1982, zevenenzestig jaar oud, geheel volgens de regels aftrad als hoogleraar in 'Government and Public Administration' in Oxford, had hij voorzien in een werkzaamheid die zijn vrije tijd nuttig zou vullen. Hij ging de geschiedenis van het stadsbestuur schrijven vanaf de Soemerische stadstaten, dat wil zeggen vanaf ongeveer 3500 voor Christus, tot heden. Vijf jaar later trof hem een zeer zware hartaanval, maar hij overleefde die en kon zijn arbeid tot zijn dood in 1993 voortzetten.

Het boek kwam niet helemaal gereed. Van de zesendertig geprojecteerde hoofdstukken bleven de laatste twee, over de twintigste eeuw (die gegeven Finers proporties tezamen minstens honderd bladzijden geteld zouden hebben) ongeschreven. Het typescript was bij lange na niet klaar voor de druk. Zijn weduwe en zijn collega Jack Hayward ontfermden zich over de tekst, verzorgden de annotatie en de bibliografie, raadpleegden deskundigen over dubieuze punten en konden in november 1995 hun werk afsluiten. In 1997 verscheen het ten slotte, in drie delen, 1701 bladzijden lang, een gigantisch boek over een gigantisch onderwerp.

De geleerde die in de late herfst en winter van zijn leven wil zaaien en oogsten strijdt tegen de natuur der dingen en loopt grote risico's. Het gevaar dat ziekte en dood hem de pen uit handen nemen groeit uiteraard met de jaren. Finer is er niet aan ontsnapt. Bovendien is het voor menige oud wordende auteur moeilijker de teugels van zijn proza zo strak te houden als in jongere jaren, en groeit zijn boek daardoor tot een omvang die hij vroeger niet zou hebben geduld. Op het eerste gezicht lijkt Finer ook aan deze zwakheid te zijn bezweken: het werk is driemaal groter geworden dan hij oorspronkelijk had gewild. Het valt ook niet te ontkennen dat Finer hier en daar lange passages optekende die niet voldoende geconcentreerd werden. Vooral bij het lezen van de laatste honderden bladzijden over de moderne geschiedenis van Europa heeft men soms de indruk een vrij conventioneel handboek voor eerstejaarsstudenten in handen te hebben en aangezien er al talloze van die aard beschikbaar zijn, lijkt veel van het hier gepresenteerde materiaal overbodig.

Voorzichtigheid is echter geboden. Misschien had Finer zelf als hij er de gelegenheid toe had gekregen, nog substantiële bekortingen aangebracht. Bovendien is de stijl van deze History pittig en fris en is de compositie stevig gebouwd. Hier is en blijft een meester aan het werk die zijn betoog vast in de hand houdt. Toch zou het boek zonder twijfel aan leesbaarheid hebben gewonnen wanneer het tot decentere proporties was teruggebracht. Men troost zich met de gedachte dat het, als het succes blijkt te hebben, misschien de eer van een Abridgement te beurt zal vallen.

Eigenzinnig

Er zullen niet veel mensen in staat zijn dit boek van de eerste tot de laatste bladzijde door te lezen. Het is propvol. Finer verschaft zo'n overweldigende informatie dat het gespannen aandacht en maanden van gezette studie zou vereisen om haar te verwerken. Er zullen nog minder mensen in staat zijn de wetenschappelijke kwaliteit ervan met voldoende deskundigheid te beoordelen. Finers onderzoek strekt zich uit over vijfduizend jaren en alle continenten behalve Afrika. Het spreekt vanzelf dat zijn exposés op secundaire literatuur berusten, monografieën, handboeken, encyclopedieën, en slechts bij uitzondering op oorspronkelijke bronnen.

Hij aarzelt echter niet met zijn zegslieden soms vrij uitvoerig in discussie te gaan en nieuwe, soms misschien eigenzinnige interpretaties voor te stellen. De autoriteiten die hij gebruikt leest hij kritisch. Zijn stijl en opzet zijn niet die van de bedachtzame syntheticus. Dit is een zeer actief boek. Vandaar dat een leger experts ten slotte zal moeten nagaan of Finer de juiste conclusie trok.

Zoals een generatie geleden Toynbee's nog meer omvattende en nog veel langere A Study of History aanleiding gaf tot uiterst gevarieerde kritiek op zijn beschouwingen over elk van de beschavingen die hij besprak, zo zal het ook Finers boek misschien vergaan. Het resultaat zal echter verschillen. In zekere zin dreigde Toynbee's werk (door Finer nergens genoemd, net zo min als dat van die andere, onlangs in Nederland gelauwerde collega-wereldhistoricus William McNeill) onder die kritiek zou bezwijken. Kritiek die toonde dat diens visie op de geschiedenis van een bepaalde beschaving onhoudbaar was ondermijnde het hele systeem. Finer zal dat niet overkomen. In 1982 hield hij een lezing waarin hij schetste op wat voor grondslagen hij dacht de History of Government te bouwen die hij het volgende jaar wilde gaan bewerken. Hij had er geen, noch een overkoepelde theorie, noch een alles omvattende formule, noch een sleutel waarmee hij alle arcana imperii zou kunnen ontsluiten. Zijn boek is dus fundamenteel anders dan dat van Toynbee. Het lijkt even grandioos in zijn ambitie maar is feitelijk bescheidener en daarom minder kwetsbaar.

Vroegste tijden

De titel van het boek klinkt behaaglijk ouderwets. Finer biedt de geschiedenis van het staatsbestuur aan, niet een geschiedenis, of een studie of een essay, maar de geschiedenis en wel vanaf de vroegste tijden. Hier spreekt een historicus of een politicoloog (het onderscheid verdwijnt in dit boek vrijwel uit het zicht) met de volle autoriteit van zijn wetenschap, ongehinderd door postmodern gefilosofeer. Het 'from the earliest times' is eveneens kostelijk.

Zoals gezegd begint het boek met Soemerië omstreeks 3500 voor Christus. Soemerië namelijk liet ons overblijfsels na waaruit wij kunnen afleiden dat het door een geordende regering werd bestuurd. Het is het eerste voorbeeld dat wij van dit verschijnsel kennen. Van de aan Soemerië voorafgaande of met Soemerië gelijktijdige gemeenschappen weten we veel te weinig om iets concreets over hun organisatie te zeggen. Zij kenden het schrift niet. Soemerië kende dat wel en met het schrift begint de geschiedenis. Schriftloze volkeren horen in de prehistorie.

Daar is op zichzelf niet veel tegen op te merken. Maar de consequentie is eigenaardig. Deze geschiedenis van het staatsbestuur vangt zodoende aan met de studie van een staatje van niets, ter grootte van het huidige België waar, schrijft Finer vol bewondering, voor het eerst government ontstaat, plotseling, lijkt het, zonder aanloop, volledig doordacht en georganiseerd, een parthenogenese, als het ware, een maagdelijke geboorte (maar toch eerder, denkt men, iets als de geboorte van de volledig uitgeruste Pallas Athene uit het hoofd van Zeus). Dit is levendige retoriek, een stijlfiguur waar Finer, tot genoegen van zijn lezer, van houdt. Maar natuurlijk vermoedt ook Finer, mag men veronderstellen, dat er aan de verschijning van Soemerië voor onze ogen een voor ons niet waarneembare geschiedenis vooraf is gegaan. Dit is een titel met een knipoog.

Het boek geeft ook helemaal niet wat de titel suggereert. Op grond ervan zou men hier immers het soort lineaire geschiedbeschouwing verwachten dat wij uit oudere schoolboeken kennen: Soemeriërs, Egyptenaren, Joden, antieke Grieken en Romeinen. Europeanen gaven als in een estafette het vuur van de beschaving aan elkaar door, met ergens ver weg, in India, China en Japan, de exotische wonderbaarlijkheden die pas na de Europese ontdekkingsreizen belangrijk voor de scholieren werden. Finer echter beschrijft de diverse regeringsstelsels wel in chronologische volgorde maar beklemtoont onophoudelijk dat zij organisch en causaal niet met elkaar in verband staan. Hij zoekt in de staten die hij behandelt het autonome, idiosyncratische en onnavolgbare. Zijn staten vormen geen schakels in een keten. Hij plaatst ze als het ware voor zich op zijn bureau als objecten voor comparatistisch onderzoek, soort naast soort, type naast type. De geschiedenis wordt in dit boek niet voorgesteld als een lange ontwikkeling en groei. Finer legt zijn accenten op breuken, discontinuïteiten, fundamentele verschillen. Met waarlijk meesterschap en overrompelende eruditie toont hij ons de zeer gevarieerde eigenaardige vormen waarin mensen zich in de loop van de millennia hebben laten regeren.

Pertinente vragen

Dit is geen puur institutionele geschiedenis. Finer analyseert niet slechts de organisatie van het stadsbestuur maar relateert die uitdrukkelijk aan de godsdienstige en intellectuele vooronderstellingen van regering en bevolking. Ook schetst hij - het spreekt vanzelf - de economische en sociale omstandigheden waarvan elk systeem afhankelijk is, ook als het deze, zoals vaak, zelf voor een deel veroorzaakt. Maar vooral onderscheidt Finers benadering zich van die zuiver institutionele historici doordat hij zich pertinenter dan zij steeds weer afvraagt tot welk type de bestudeerde staat behoort, hoe die staat in de praktijk functioneerde, of hij de primaire taken van een staat in het algemeen adequaat uitvoerde en wat voor profijt de bevolking ervan had. Finer schuwt kwalitatieve oordelen in het geheel niet.

Vanaf het begin van zijn comparatistische studie had Finer behoefte aan een typologie. Hij vond de klassieke indeling in monarchie, aristocratie en democratie tezamen met de corrupte vormen daarvan, en de modernere rubricering van de staatsvormen in al dan niet constitutioneel, al dan niet liberaal, al dan niet parlementair blijkbaar onvoldoende. Hij had een ander schema in zijn hooofd. Toen hij de gedachte moest aanvaarden dat hij zijn boek misschien niet af zou krijgen schreef hij tijdens het werk aan zijn tekst zo nu en dan 'editorial notes' ten dienste van degenen die de History na zijn dood zouden moeten uitgeven. Daarin wilde hij de structuur van zijn opzet duidelijk maken.

De redacteuren hebben deze notities samengevoegd tot een 'conceptuele proloog' van bijna honderd bladzijden die als inleiding wordt afgedrukt. Dit is een gelukkige gedachte geweest. Hier staat het schema dat Finer steun gegeven heeft. Het heeft echter geen definitieve vorm gekregen. Tijdens zijn onderzoekingen stelde Finer het blijkbaar steeds weer bij. Het is een merkwaardig stuk. In het eigenlijke corpus van het boek vertelt Finer zijn verhalen soms met vaart en gratie en geeft hij zijn oordelen vaak de vorm van scherp geslepen sententies. Hier put hij zich uit in de opstelling van een eindeloze rij onderscheidingen, subonderscheidingen en verdere preciseringen die de lectuur niet aantrekkelijk maken. Toch bevat ook deze inleiding veel hoogst belangwekkende passages. Het is echter onmogelijk Finers indeling van de staatsvormen kort samen te vatten. Dat is jammer want het doet het boek tekort, maar rampzalig is het niet, want alles welbeschouwd vindt men hier eerder een poging tot terminologische dan tot principiële vernieuwing van de conventionele schema's en gebruikt Finer in zijn analyse van de concrete taken vaak genoeg het gewone vocabulaire.

Het zijn gevarieerde vreugdes die dit boek verschaft. Met spanning leest men de beschrijving van elk van de besproken regeringen, en of het nu gaat over het Midden-Oosten, duizenden jaren voor Christus, over de onmetelijke geschiedenis van China, over de aard van de Atheense democratie, de wanorde van de republiekeinse constitutie van Rome, de verdwijning van het staatsbegrip na de val van het Romeinse Rijk, de schoonheid van Venetië's grondwet, de contrasten tussen de Engelse en de Franse staat in de zeventiende eeuw, de hoogst eigenaardige ontwikkelingen in India: of men nu leest over de dominante plaats van de diverse religies in al deze millennia, de originaliteit van jodendom, christendom, confucianisme en zoveel meer, Finer houdt zijn lezer bij de les.

Het heel goede register biedt de gebruiker toegang tot uiteenzettingen over tal van belangrijke onderwerpen, zoals de limieten van zelfs de wreedste despotie of het ontstaan van het aan Europa eigen representatiebeginsel. Wie het boek met enige vindingrijkheid hanteert treft hier beknopte introducties aan tot de studie van grote segmenten van de wereldgeschiedenis en aanzetten tot discussies over centrale politieke thema's.

Moderne passanten

Het boek is onvoltooid gebleven en heeft dus geen conclusie. De verzorgers van het nagelaten typescript hebben niet geprobeerd er zelf een passend slot bij te verzinnen. Het zou dwaas zijn als een recensent dat wel ondernam. Maar twee waarnemingen worden door Finer zo vaak beschreven dat deze voor hem kennelijk van wezenlijke betekenis zijn geweest. Geen van beide is op zichzelf in enigerlei opzicht nieuw, maar beide worden met zo treffende pregnantie en rijke argumentatie gepresenteerd dat ze aandacht verdienen. Het eerste punt betreft de uitzonderlijkheid van het na-Romeinse Europa. In grote delen van de wereld was de duur van een regime - dat wil zeggen, het geheel van de fundamentele gezagsverhoudingen - onvergelijkbaar langer dan in Europa. Ook buiten Europa volgden natuurlijk heersers op heersers, dynastieën op dynastieën, regeringen op regeringen; het regeringsstelsel als zodanig bleef echter vaak eeuwen en soms millennia in stand.

Al op zijn eerste bladzijden rekent Finer ons dit voor: het oude Egypte haalde 2820 jaar, het geünificeerde China 2133, het klassieke Rome 985, Assyrië 744 en zo zijn er nog heel wat getallen te noemen die de stabiliteit van oude staatsvormen aantonen.

In het post-Romeinse Europa ging het anders. Feodalisme, de heruitvinding van de staat in de zestiende eeuw, het absolutisme, de constitutionele monarchie van de negentiende eeuw, de huidige democratie zijn snelle passanten die op zijn hoogst slechts een eeuw of wat oud worden. En het gaat in deze gevallen volstrekt niet alleen om regeringswisselingen, het gaat om fundamentele veranderingen in geloof en waardeleer.

Finer houdt zich vooral in zijn slothoofdstukken uitvoerig bezig met een tweede waarneming die voor hem van enorm belang is: de toeneming van de macht en reikwijdte van de moderne regering. Hier raakt hij aan een probleem dat hij in beginsel al eerder was tegengekomen maar dat zich bij zijn bestudering van de Westerse staat van de negentiende en de twintigste eeuw in volle hevigheid stelt. Bij al zijn beschouwingen over oude staatsvormen - het doet er niet of dat het sacrale koningschap van de Soemeriërs of het gezag van de Kaliefen betrof - vroeg hij zich steeds zorgvuldig af in welke mate de regering er in slaagde tot de bevolking door te dringen. Niet alleen de macht zelf maar ook de limieten ervan boeiden hem.

Het is nu of hij bij zijn nadering tot het heden (dat hij jammer genoeg niet meer systematisch heeft kunnen beschrijven, zodat het totalitarisme hier ontbreekt) stuit op een constatering die hij, ervaren politicoloog, natuurlijk al door en door kende, maar die tegen de achtergrond van het in dit boek behandelde thema plotseling uiterst pikant werd: vergeleken met de intense, permanente, onontkoombare invloed die de huidige overheid uitoefent op alle elementen van ons individuele bestaan, is elke regering uit het verleden, hoe despotisch en meedogenloos ook, hoe uitbundig ook uitgerust met priesters, bureaucraten en een militair apparaat, in de ogen van de gewone onderdaan een intermitterende verschijning, als men het zo mag uitdrukken, een lange tijd nauwelijks zichtbare laag van autoriteit boven zelfstandige, in eigen vormen en ritme voortlevende gemeenschappen.

Met instemming citeert Finer een moderne historicus: echt geregeerd werd er pas vanaf het einde van de negentiende eeuw. Aan alle vroegere regeringen ontbraken eenvoudig de instrumenten om ver en duurzaam in de maatschappij en het leven van de onderdanen door te dringen. Wat een conclusie van een indrukwekkend, 1701 bladzijden tellend boek over de geschiedenis van het staatsbestuur vanaf de vroegste tijden!